• meditaties dominee Tanis
  • Tijd voor bezinning
    Meditaties

    van verschillende dominee's en oudvaders

Onderwijs in Christus’ lijdensgang


'Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derde dage opgewekt worden.' (Mattheüs 16:21)

Jezus is met Zijn discipelen naar het Noorden van Israël getrokken en vertoeft in de delen van Cesaréa Filippi. En hier zal de Zaligmaker Zijn jongeren onderwijs geven in Zijn lijdensgang.

Maar voor deze aankondiging heeft de Alwetende Meester die twee vragen gesteld: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?’ en ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’. Toen is gebleken dat het verblijf van de hoogste Profeet en Leraar ‘Die ons de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft’ in die drie jaar van Zijn omwandeling zo weinig vrucht heeft gedragen. Uit de woorden van Petrus is echter ook gebleken dat de Heere toegebracht heeft tot de gemeente die zalig zal worden. En Jezus heeft hem zalig mogen spreken ‘want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader Die in de hemelen is’.

‘Van toen aan...’ begon Jezus met Zijn discipelen te spreken over Zijn lijden en sterven en opstanding. Hij had er weleens op gezinspeeld: ‘Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten...’ en op een andere plaats: ‘Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde’. Nu echter gaat Hij openlijk spreken over Zijn lijdensgang. ‘Van toen aan...’ is dus nadat ze enige kennis hadden verkregen van de Middelaar als Profeet en tegelijk nadat de Meester hen verzekerd had van de zaligheid van Zijn gemeente want ‘de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen’. Maar waarom begon Hij van toen aan openlijk en zonder beeldspraak met hen te spreken over Zijn lijden en sterven? Om hen voor te bereiden, opdat ze niet al te verslagen zouden zijn door de vreselijke dingen die aanstaande waren. Om hen ook te gaan onderwijzen in Zijn Priesterlijke bediening en de noodzaak van verzoening door voldoening. 

Er staat zo nadrukkelijk dat Jezus zegt ‘dat Hij moest heengaan...’. Onze kanttekenaren omschrijven het treffend: ‘namelijk omdat zulks van God besloten, van de profeten voorzegd en tot verzoening der zonden nodig was’. Petrus (en met hem al Gods ware volk) heeft dat onderwijs zo nodig want hij verstaat dat Goddelijke moeten van Christus lijden en sterven niet. En dat komt, omdat hij blind is voor het recht Gods. Is er een volk die dat verstaat? Want zo gaat het met degenen die pas op de weg van genade geleid zijn. Wat waren ze zalig toen hun ogen geopend werden om de Schoonste aller mensenkinderen te aanschouwen. Wat waren ze levendig gesteld. Ze waren zalig in de nabijheid van de Zaligmaker. En dat was werkelijk de beleving van hun ziel, waarin ze zich niet vergisten. Maar ze waren zo blind voor het recht Gods dat voldaan moest worden en blind voor de plaatsbekledende bediening van Christus.

Lezer, begeert u ook onderwijs van de hemel? Als u nog onbekeerd voorleeft bedel dan om ontdekkend licht opdat u Godskennis en zelfkennis mag ontvangen en de Heere het gebruike tot Christuskennis. En gij, die geen vreemdeling van genade zijt, begeert u onderwijs in het lijden en sterven van de Borg? Weet u wat het zeggen wil dat de gevoelige blijken van Zijn liefde verdwijnen en de bron der vertroosting uitdroogt? Om alle houvast te verliezen in alles waarin u vroeger meende de grond van de zaligheid gevonden te hebben?

Dan blijkt die weerstand van een discipel als Petrus. Hij, die eerst een steenrots genaamd was, wordt nu een steen des aanstoots. Petrus, die zalig gesproken was door Jezus Zelf en een ogenblik vertoefde onder een geopende hemel, lijkt te verkeren aan de rand van de afgrond als het klinkt uit Jezus mond: ‘Ga weg achter Mij, satanas, gij zijt Mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn’. En dan verstaat u die woorden ‘dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden...’. Gods deugden zullen worden opgeluisterd door de dood van de Zone Gods die niet als martelaar maar als Middelaar het lijden tegemoet gaat. Niemand kan Hem weerhouden want Hij wil en zal die bange weg gaan, omdat er geen andere weg is, waarlangs God verheerlijkt kan worden in het zaligen van zondaren dan door de dood van de Zoon van God. Maar wat heeft de zaligheid van Gods Kerk dan toch een vast fundament. Dan is het lijdensevangelie wat in de komende rustdagen weer verkondigd mag worden van zo’n grote waarde. Dan krijgen de woorden van de apostel Paulus glans: ‘Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd’

Ds. B. Labee
~~~~~~~~

Het lied van een pelgrim


'Een lied Hammaäloth, van David' (Psalm 122 : 1a)
In gedachten zien we ze voor ons. Pelgrims die komen uit alle streken van Israël. Voortreizend in de nacht, terwijl hun pad verlicht wordt door de heldere maan. Zingend om de moed erin te houden. Op weg naar de stad van David en het huis van God. Wat ze zingen? Luister maar!
‘De stammen naar Gods Naam genoemd, gaan derwaarts op waar elk zich buigt, naar d’ ark die van Gods gunst getuigt, waar elk Zijn Naam belijdt en roemt.’ Jawel, je hebt het goed gehoord: het is een vers uit Psalm 122.
Het is een van de bedevaartsliederen. Er staat boven: Een lied Hammaäloth. Letterlijk betekent dat: een opgangslied. De pelgrims zongen deze liederen dus als ze opgingen naar Jeruzalem op een van de grote feesten.

Zing je mee?
We keren weer terug naar die pelgrims. Ze komen al dichter in de buurt van de Godsstad. Hun hart is sneller gaan kloppen. Ik zie vaders en moeders onder hen, maar ook kinderen en jonge mensen. Zie ik jou ook? Ben jij ook op weg naar Jeruzalem? Elke zondag ga je naar de kerk. Je hoeft er geen verre reis voor te maken. Maar is er bij jou ook een verlangen in je hart? Zing je mee in de kerk en op de catechisatie? Ik hoop van wel! Misschien zeg je: “Ik zing niet met mijn hart. En als je dan meezingt, is het toch eigenlijk gelogen? Ik voel me soms net een huichelaar.” Daar kan ik me iets bij voorstellen. Ook een dominee moet weleens de preekstoel op terwijl het zo leeg is van binnen.
Maar wat valt het soms mee als de kerkdienst eenmaal begonnen is. Wat kan je soms geraakt worden als je kinderen en jonge mensen ziet meezingen. Wees er maar niet te groot voor en schaam je niet voor leeftijdsgenoten die hun lippen stijf op elkaar houden. Zing maar mee! En vraag intussen of je echt mag leren zingen.

Reis je mee?
Wat gebeurt er dan? Dan wordt je zo’n pelgrim! Nee, van nature zijn we dat niet. We zijn gelukzoekers of misschien wel hemelzoekers, maar echte Godzoekers zijn we niet. Bedenk dat toch! Als je geen nieuw hart hebt, ben je niet op weg naar Jeruzalem, maar naar de hel. Sta daar eens bij stil! Je moet getrokken worden uit de Stad Verderf en leren zoeken naar de stad die fundamenten heeft. Kortom, je moet bekeerd worden. Maar… je kunt ook bekeerd worden! De Heere roept je nog met alle ernst! Hij wijst ons de weg naar het hemelse Jeruzalem.
Wie reist er mee? Kom, ‘wie heeft lust den Heer’ te vrezen, ’t allerhoogst en eeuwig goed? God zal Zelf zijn leidsman wezen; leren hoe hij wand’len moet.’

Buig je mee?
Wat zijn die mensen - ja, ook die jonge mensen - gelukkig bij wie de rust is opgezegd. Die het bij de wereld niet meer kunnen houden en zich bij Gods volk niet durven rekenen. Ze worden een vreemdeling hier beneden, maar ook een vriend en metgezel van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. Ze trekken mee naar de plaats ’waar elk zich buigt, naar d’ ark die van Gods gunst getuigt.’ Die ark wijst heen naar het bloed van Christus, het bloed dat wast en reinigt van alle zonden. Kun je niet meer zalig worden? Wat een wonder als je voor God leert buigen en de kracht van dat bloed mag ervaren. Dan ga je hier al zingen van Zijn grote liefde, maar dan mag je het straks voor eeuwig doen!
Ds. C. Sonnevelt
~~~~~~~~

En er was Anna


'En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuël, uit den stam van Aser' (Lukas 2:36)
In deze tijd die aan het herdenken van het feit van Christus komst in het vlees
voorafgaat, worden we bepaald bij het adventsleven van verschillende kinderen des Heeren. Eén van hen is de oude Anna die woont in Jeruzalem. In Lukas 2:36 lezen we van haar. En er was Anna. Mogen we vier dingen van haar zeggen.

Zij is verbonden aan Adam

Dat komt wel het meest uit in het feit dat deze dochter van de voor ons onbekende Fanuël komt uit de stam van Aser. Een stam uit het tienstammenrijk die de Heere verlaten had in de lijn der geslachten. Een stam die tenslotte in de ballingschap ten onder was gegaan. Anna kwam uit deze stam.
Ook Anna was een kind van Adam. Ook Anna was een kind des toorns die in het rijk Gods niet komen kon. Ook Anna had van nature geen uitzien naar de Heere. Ook Anna lag dood in de zonden en de misdaden. Maar juist ook in het leven van Anna schittert vrije soevereine en opzoekende zondaarsliefde. De Heere had ook dit Adamskind uit de stam van Aser liefgehad met een eeuwige liefde. Hij had haar in de tijd door wederbarende genade opgezocht en in een stervend leven een uitzien in haar hart gewerkt naar de komende Christus.
Lezer, genade valt zo eeuwig vrij. Anna kwam niet uit een beste stam. Anna had wellicht geen rijk voorgeslacht. Anna was ook een verloren Adamskind, maar ze werd opgezocht uit genade alleen. En die God van Anna leeft nog! Hij zoekt nog het verlorene. Anna tekent ons dat er nog doen aan is, zelfs voor de grootste der zondaren. Ja, zelfs nog voor een oude, koude en harde zondaar en zondares.

Zij is verbonden aan Gods inzettingen
De Heilige Geest laat Lukas opschrijven dat ze niet week uit de tempel. Daar lag haar leven. In de dienst des Heeren. Al was het dan een donkere tijd in godsdienstig opzicht. Al waren er wellicht weinig godvrezende priesters, maar Anna was toch in de tempel. Op de plaats waar de Heere in offers onderwijs gaf aan haar ziel.
Ligt ons leven ook in de dienst des Heeren? Dat we Gods Woord onderzoeken, dat we getrouw naar Gods huis komen, op zondag en door de week. Anna was er altijd, al was ze dan al 84 jaar oud. Daar lag haar leven. Anna, die door Gods Geest geleerd had dat haar ongerechtigheden scheiding maakten tussen God en haar ziel. Dat was de smart van haar leven geworden. Anna verstond met haar hart, als het mes van de priester neerdaalde in het offerdier: dat heb ík verdiend. Maar Anna had als een rechteloze ook mogen verstaan dat er Eén komen zou Die haar zou verlossen van haar kwaad, de zonde, maar haar ook zou herstellen in Gods gemeenschap.
We lezen niet van haar dat ze daar, net als Simeon, een bijzondere belofte voor had gekregen. Maar we weten wel dat ze als een profetes bijzonder door de Heere vanuit de Schrift was onderwezen in de heilgeheimen van het zalig worden en daar ook tot anderen van mocht spreken. Haar leven was: vasten, bidden en God dienen (Luk. 2:37). Vasten dat ze in beginsel een afkeer gekregen had van de zonde. Ze was vreemdeling geworden op de aarde en haar leven was in het verborgene de Heere in alles benodigen in een afhankelijk gebedsleven. Ja, het nieuwe deel van de oude Anna begeerde de Heere te dienen en te gehoorzamen en dat kwam uit in haar verbondenheid aan de dienst des Heeren, in haar uitziend leven naar Hem Die in de offers werd aangewezen. Zijn komst alleen kon haar heil volmaken.
Kom, kent u ook dat missende, uitziende leven als een onwaardig Adamskind, die toch de Heere niet missen kan en zo in verbondenheid aan Gods inzettingen uw weg mag gaan?

Zij is verbonden aan de Zaligmaker
Dat mag haar op haar hoge leeftijd ten deel vallen. Wellicht vele jaren met de dichter gezongen: ‘Mijn ziel vol angst en zorgen, wacht sterker op den Heere, dan wachters op de morgen, de morgen, ach wanneer?’ En dan op Gods tijd, doorgaans na een lange, bange weg van ontdekking, ontgronding, ontlediging en ontbloting, betoont de Heere als een verrassend God, in het toevallen van het recht, Hem te openbaren, de verwachte Messias (kantt. 47).
Ze mag, evenals Simeon, dat Kindeke aanschouwen dat daar in de tempel de Heere wordt voorgesteld. Niet alleen met haar oude, natuurlijke ogen, maar veel meer met de ogen des geloofs. Hem zien, Die ze dan belijden mag als de van God geschonken, volkomen Zaligmaker, Die als God en mens in één Persoon, de enige Middelaar is tussen de heilige God en de doodschuldige Anna. Ook haar geschonken in de stand van het leven tot wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en een volkomen verlossing. Ze mag met Maria in die onvergetelijke tiende ure, Hem ook haar Zaligmaker noemen.
O, uitziend advenstvolk, zo Hij vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Hij zal ook u verschijnen tot vreugde van uw ziel.

Zij is verbonden aan Gods uitziend volk
We lezen in Lukas 2:38 dat ze aan degenen die in Jeruzalem ook iets van dat uitziende leven kennen, mag gaan vertellen dat Hij gekomen is, en wat Hij aan haar ziel gedaan heeft. In deze weken van advent mag dan de vraag wel zijn of u ook behoort tot dat uitziende volk? Of Anna ook bij u en jou welkom zou zijn? Of zou Anna maar een sfeerbreker zijn op ons gezellige, drukke, met kaarsen verlichtend kerstfeest? Voor dat uitziend volk zal gelden, ook al bent u misschien al oud, of denkt u dat er nooit een oplossing komt voor uw ziel: gij die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven!

 
ds. A. Verschuure , Scherpenzeel
~~~~~~~~

Gedenkt uw voorgangers


‘Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandel’ (Hebreeën 13:7).
Er staat niet in onze tekst: Aanbidt uw voorgangers. Dat gebeurt soms op een gruwelijke wijze. Daarin komt openbaar wat een afgodendienaars wij zijn. De Heere wil echter wel dat we onze voorgangers niet vergeten. Gedenk hen! Gedenk hun strijd, gedenk de gebeden die ze voor u doen en gedaan hebben. Vergeet de arbeid der liefde niet, die zij aan uw ziel ten koste gelegd hebben. Gedenk het Woord Gods dat zij tot u hebben gesproken en nog spreken. God heeft hen gezonden om u Zijn Woord te verkondigen. Ze mogen daar niets bij- en niets afdoen. Ze hebben steeds weer tot u gesproken over de staat der rechtheid, over Adams diepe val, maar ook over de grote genade Gods, die in Christus Zijn volk bereid is.

Uw voorgangers hebben tot u gesproken over de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering. Ze hebben onderscheid gemaakt tussen historisch geloof, tijdgeloof, wondergeloof en zaligmakend geloof. Ze hebben u de dood in Adam en het leven in Christus verkondigd; een rijke Christus en een arme zondaar, maar ook hoe die arme zondaar deel krijgt aan die rijke Christus. Ze hebben het werk des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes verkondigd. Ze hebben u de wedergeboorte als noodzakelijk voorgesteld, maar ook de wezenlijke eigenschappen van een wedergeboren mens. In de wedergeboorte wordt een droefheid naar God gewerkt en die droefheid werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Een wedergeboren mens heeft liefde tot God, liefde tot de naaste, liefde tot al de heiligen, ook uit andere kerkverbanden.

In de prediking van het Woord wordt u de noodzakelijkheid van de kennis van Christus verkondigd. "En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt”. Uw voorgangers hebben u gewezen op de tekenen der tijden, waar immers het oordeel der vernieling altijd volgt op het oordeel der verharding. Ze hebben niet gezwegen over ''s mensen eeuwige bestemming. Waar de boom valt, daar zal hij zijn. "Volgt hun geloof na", zegt de tekst, namelijk hun geloofsoefeningen. Om dat te doen, is er genade nodig. Dat kan niet buiten de geloofsvereniging met Christus. Zonder Christus kan een gelovige niets doen wat Hem behaaglijk is. Er staat niet in de tekst dat u de voorgangers in alles moet navolgen.

Petrus kan en mag men niet volgen in zijn verloochening van Christus en in zijn vloeken en zweren. Deze zonden staan ons niet beschreven ter navolging, maar als een baken in zee en ook weer ter vertroosting: hoe diep wij na ontvangen genade kunnen vallen, maar ook hoe getrouw Jezus is in het opzoeken en terechtbrengen van Zijn afgedwaalde schapen.

“Aanschouwende de uitkomst hunner wandel", lezen we in de tekst. De voorgangers hebben niet gewandeld op de weg der zondaren, noch gezeten in het gestoelte der spotters. De uitkomst hunner wandel is vrede geweest, al is er soms nog een bange strijd aan voorafgegaan. Dat heeft ons allen toch weer veel te zeggen, namelijk: lndien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal dan de goddeloze, de zorgeloze en onboetvaardige zondaar verschijnen?

Wat komen er soms ernstige roepstemmen tot ons, ook door sterfgevallen. Leven we eraan voorbij? Gedenk toch, o geliefde jeugd, aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap. De mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers zullen in de straten omgaan. Maar er is een Fontein geopend. Het bloed moet worden toegepast door de Heilige Geest, zal het wel zijn. De Kerk ziet ernaar uit dat het gebeuren mag. Gods Kerk kan het niet doen met conclusies, maar moet het zelf uit Zijn mond horen. De getrouwe Verbondsjehova verlene u, volk des Heeren, om in Christus gevonden en geborgen te mogen zijn. Bedenk, reizigers naar de eeuwigheid, dat het buiten Christus zeer zal stormen. “De God nu des vredes, Die de groten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen testaments uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen, werkende in u hetgeen voor Hem welbehaaglijk is, door Jezus Christus, Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.”
Wijlen ds. L. Vogelaar
~~~~~~~~

Zijn striemen


‘... en door Zijn striemen is ons genezing geworden’ (Jesaja 53:5).
Een geleerd man vroeg eens een predikant: ‘Hoe is het mogelijk dat iemand rechtvaardig kan worden door de rechtvaardigheid van een ander?’ Hij bedoelde met deze vraag de leer van de toegerekende gerechtigheid verdacht te maken.

De predikant antwoordde hem: ‘Hoe komt het dat kinderen erven wat hun ouders verdiend hebben? Zij hebben er niet voor gewerkt en nochtans erven zij hun goederen en zij mogen de geërfde bezittingen beschouwen als de hunne. Evenzo erven de ware gelovigen van God, omdat zij kinderen zijn en daarom ook erfgenamen.’
Toch is het een groot mysterie dat de gerechtigheid van Christus op de rekening en de naam van ongerechtigen komt. De apostel zegt ervan: ‘De verborgenheid der godzaligheid is groot.’ Te groot voor het verstand om het te bevatten, maar niet te groot voor een arm en schuldverslagen zondaar om het te geloven.
Het geloof omhelst de woorden van Jesaja betreffende Christus: ‘En door Zijn striemen is ons genezing geworden.’ De zonde is een kwaadaardige en dodelijke ziekte. De mens moet er eeuwig aan sterven, tenzij hij of zij ervan genezen wordt. Maar welk geneesmiddel is krachtig genoeg om het ontzettende kwaad van de zonde te genezen? De profeet zegt het ons: ‘Door Zijn striemen is ons genezing geworden.’ Zodra de Heilige Geest in een hart begint te werken, gevoelt de mens dat de echte kwaal de zonde is.
Van nature zien we niet verder dan de gevolgen der zonde. Evenals de man die maar niet begreep wat er aan zijn motor mankeerde, want van buiten zag  alles er prima uit. Dat er binnen in de motor iets niet in orde was, besefte hij niet. Zo ziet de mens alleen maar de zichtbare ellende, zonder te beseffen dat de kwaal binnen in ons zit. De Heilige Geest leert ons de kwaal van ons hart kennen en vanaf dat moment slaan we niet meer op de borst van anderen, maar slaan we met de tollenaar op onze eigen borst, om te roepen: ‘O God! wees mij zondaar genadig!’
Gods kinderen gevoelen het kwaad der zonde diep in hun hart. Er schijnt geen genezing aan te zijn.
Welke dokters en medicijnen zij ook waarnemen, de kwaal wordt erger in plaats van minder. Dokter ‘Verbetering’ kan ze niet helpen en medicijnmeester ‘De wet’ maakt de wonden alleen maar stinkender. Zij gevoelen het vuile kwaad van de zonde diep in zich en kunnen er geen geneesmiddel voor vinden. Wat een droefheid en strijd veroorzaakt dit. Zonder zonde voor God te willen leven en te ervaren dat er een fontein van boosheid in ons is, die slijk en modder opwerpt.
Nu, zondekranke en bedroefde zondaar, hier is uw geneesmiddel. Het zijn de striemen van Jezus. Dit is uw enige geneesmiddel. Niets anders is bij machte u te genezen. U zoudt uzelf kunnen geselen en striemen, maar het kwaad der zonde zou er niet door genezen worden. Maar zie door een waar geloof op de striemen en wonden van de schulddragende Middelaar Jezus en u zult gezondheid vinden, vrede bij God en doding van de zonde. De Heilige Geest heeft u geleerd om de kwaal der zonde in uw hart en leven te zien. Hij leerde u zien op de grote schuld die u bij God gemaakt hebt, en op de verdorvenheid van uw natuur die krachteloos is om iets goeds voort te brengen. Nu, diezelfde Geest, Die overtuigde van zonde en u krank van zonde maakte, wil nu dat u, nadat u op uw kwaal gezien hebt, zult zien op de striemen van Jezus. Wanneer u daarop ziet, ziet u niet alleen bloed en bitter lijden, maar leest u het verhaal van de eeuwige liefde van Christus om Zich als Borg te geven voor dood- en doemschuldige zondaren. Ziende op de gestriemde en in onze plaats verwonde Zaligmaker zal genezing uw ziel binnenstromen. De kennis van dit geneesmiddel neemt niet alleen de zware schuld der zonde weg, maar geneest ook het verdorven hart.
De blik des geloofs op deze verwonde Jezus is ook een genezende blik. Het doodt de zonde en vooral de liefde tot de zonde. Wat een wondere weg om zondaren te genezen. God geneest hen door de geloofskennis van Jezus' striemen. Dit is Gods weg om mensen te genezen. Niet van hun zondekwaal overtuigde mensen verachten dit geneesmiddel. Trotse en eigengerechtigde mensen verwerpen dit geneesmiddel. Wereldse en onreine harten misbruiken dit geneesmiddel. Maar allen die onder hun zonden vernederd zijn geworden, verwonderen zich over dit geneesmiddel en zeggen het de profeet vernederd na: ‘En door Zijn striemen is ons genezing geworden.’
Ds. C. Harinck
~~~~~~~~

Biddag en de enige Voorbidder


‘Die ook voor ons bidt’ (Romeinen 8:34b).
De brief aan de Romeinen wordt wel genoemd de sleutel tot het recht verstaan van de Heilige Schrift. Immers heel de Schrift is een ware goudmijn, voor een rechte verstaander. Nu, in deze brief liggen juwelen verklaard voor de ware christen, die door God is opgezocht.

Het rechte bidden ligt verklaard in het gebed van Christus. O, zeker op de biddag heffen we onze gebeden op tot God in de hemel, om van Hem alleen alles te verwachten aangaande de tijdelijke en geestelijke en eeuwige goederen. En het is goed om samen, met onze kinderen, op te gaan onder de klanken van Gods getuigenis. Alleen in Gods huis is alles te verkrijgen. Wat een groot voorrecht om zo nog op te mogen gaan op een dag van afzondering. Om met gebed onze noden bij de Heere bekend te maken en te smeken om het ene nodige. Allen liggen we toch verloren in onze diepe val in Adam en hebben we onze rechten verspeeld. Dat ook op de biddag wij met onze kinderen daar nog bij mochten worden bepaald. Maar bovenal dat vanuit de doorleefde diepte een schreeuw werd geboren om, uit genade, nog zalig te mogen worden. Dat is toch onze eerste en belangrijkste nood ten aanzien van onze arme ziel.
Maar nu in onze tekst wordt gesproken van een Voorbidder, Die bidt voor Zijn gekochte Sion. Het zal er toch over gaan of wij in dit gebed liggen verklaard. Dit gebed alleen heeft waarde voor de tijd en zeker ook voor de eeuwigheid. In ons hoofdstuk spreekt Paulus over de grote, zalige en onnaspeurlijke rijkdommen voor de uitverkoren Kerk. Hoor, ‘Die ook voor ons bidt’, in dit gebed wordt Christus verklaard in Zijn biddend werk. Christus bidt hier eeuwig en volmaakt tot Zijn Vader voor Zijn verkregen Bruidskerk.
Christus zien we hier niet knielende; dat komt niet overeen met Zijn verheerlijkte en verheven staat. Christus bidt niet met een hoorbare stem, vanwege de grote menigte der uitverkorenen en hun gezang en talloze begeerten. Christus is hier in Zijn menselijke natuur, waarin Hij voldaan heeft. Hij laat Zijn littekenen als een bewijs aan zijn Vader zien. Zijn enig geldende offer en verdienste houdt Hij de Vader voor en herinnert Hem daaraan. ‘Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons’ (Hebr. 9:24). Dan mag Christus voorbidden met recht door Zijn bloed; Hij bidt als God tot God. Alleen in Zijn offer ligt de volkomen toegang en de verklaring van Zijn uitnemende liefde tot Sion. Maar Zijn bidden is ‘voor ONS’. Dat zal de grote vraag zijn: of het ook voor mij is. Welzalig als de Heere Zijn voorbidden ook aan ons bekendmaakt door de weg des Geestes, als de Kerk wordt overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dan zien we maar één ding: dat van onze zijde alles te kort is en dat we nooit meer iets aan of toe kunnen brengen aangaande het rechtvaardig oordeel. Christus' bidden zorgt ervoor dat ze niet om kunnen komen, maar dat wordt in deze stand niet gezien bij Gods Kerk. Welzalig als de Heere ruimte en ontsluiting geeft in de Ander. Maar driewerf zalig als de Heere de verlossing in Christus openbaart en Zijn bloed toepast. Maar bovenal iets laat zien van: ‘Die ook voor ons bidt.’ Het is zulk een grote weldaad om bewust begrepen te liggen in de voorbidding van Christus.
Maar elk van Gods kinderen mogen uit de vrucht der voorbidding soms al troost verkrijgen. ’Die ook voor ons bidt.’ Als zij niet meer bidden kunnen, vanwege grote zorgen, moeite, kruis en zware drukwegen. Zo menigmaal met angsten bezet in de krommingen van het leven. Hij bidt. Hij smeekt. O, welk een Voorbidder in de hemel heeft Gods kind. Dan mag hier weleens de troost worden ontvangen uit Zijn voorbidden. Biddag omdat God bidt. Welk een biddag zal het voor u zijn? We liggen in Zijn voorbidden, of we liggen daarbuiten. Vraag naar waarheid of het nog eens zulk een biddag worden mag, waar Christus Zijn voorbidding heeft, maar dan ook voor u. Om de persoonlijke troost in de biddende Christus te mogen hebben.
Ds. C. van Krimpen
~~~~~~~~

De tijd van Christus’ geboorte


‘Ja, Gij, Wiens wijsheid nimmer faalt, hadt mijn geboortestond bepaald’ (Ps. 139).

Het tijdstip waarop Christus werd geboren was niet willekeurig. Een tijdstip van een geboorte is nooit willekeurig! We zingen met de dichter: ‘Ja, Gij, Wiens wijsheid nimmer faalt, hadt mijn geboortestond bepaald’ (Ps. 139).

De uitgerekende tijd is lang niet altijd de bestemde tijd. God heeft het ogenblik van de geboorte reeds van eeuwigheid bepaald.

Dit is in de kerstgeschiedenis ook terug te vinden. Lukas schrijft ‘dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou’. Deze vervulde dagen zien in de eerste plaats op de zwangerschap van Maria. Maar we mogen het ook breder zien. De geboorte van Christus was niet alleen een persoonlijke zaak voor Maria. De vervulde dagen voor haar waren ook de vervulde dagen voor allen die de vertroosting Israëls verwachtten. Paulus spreekt in dit verband over de volheid des tijds (Gal. 4:4). Dit is in het kerkelijk spraakgebruik een staande uitdrukking geworden.

Wat heeft het tijdstip van Christus’ geboorte bepaald? Sommigen denken aan de tijdsomstandigheden.
Onder Augustus deelde men na langdurige oorlogen eindelijk in de Pax Romana, de Romeinse vrede. Er werd één taal gesproken, namelijk het Koinè-Grieks.
De wegen waren zeer geschikt voor de verbreiding van de blijde boodschap.
Zelfs de heidenen leken een zekere Heilandsverwachting te hebben, zo is in de geschriften van die tijd terug te vinden.
Bovendien bood de verdraagzaamheid van het Romeinse rijk tegenover de verschillende godsdienstige opvattingen uitstekende mogelijkheden.
Toch geloven wij niet dat de omstandigheden het tijdstip hebben bepaald. Veel meer werden de omstandigheden door het tijdstip bepaald! De hele wereld is in beweging om het tijdstip.

Het tijdstip is gekozen in Gods eeuwige raad. En alle dingen moesten daaraan medewerken ten goede. De tijd moest vol worden.
De tijd van Christus’ geboorte was ook nauwkeurig voorzegd: De scepter zou van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten (Jakob). Het huis van David zou verkeren in een vervallen staat (Jesaja). De zeventig jaarweken zouden verlopen (Daniël). De tweede tempel zou nog staan (Haggaï).

Al die tijd leefde de kerk onder de zware dienst van de ceremoniële wet. De wetten hielden de kerk gevangen tot de Verlosser kwam om die te vervullen. Wat hebben de ware gelovigen uitgezien naar Zijn komst. Maar het tijdstip moest aanbreken.

Gods tijd is naar onze berekening vaak niet de beste tijd. In onze beleving is Gods tijd meestal aan de late kant, of beter gezegd veel te laat. Zo was het met de komst van Christus in de volheid des tijds. Zo is het met de openbaring van Christus in het hart. Zo is het ook met de komst van Christus op de wolken. En toch leren Gods kinderen niet alleen de plaats, maar ook de tijd te bewonderen.

Maria zal de dagen afgeteld hebben. Het is opmerkelijk dat er niet staat dat de tijd vervuld werd, maar dat de dágen vervuld werden. Kent u dat aftellen van de dagen? Als het uitzien oprecht is, raakt de tijd een keer vol.

‘Heer’, wat zoudt Gij mij toch geven? Geef mij Jezus of ik sterf. Zonder Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf’ (Barentzonius). Als de tijd rijp is, kán Zijn komst geen uitstel meer lijden en hóéft Zijn komst geen uitstel meer te lijden. Dan ervaart de zondaar: ‘Uw komst is ’t, die mijn heil volmaakt’.

Ds. A. Schot, Nunspeet
~~~~~~~~

Advent


‘Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid’ (Jesaja 33:17).
De Heere weet met de moeden een woord ter rechter tijd te spreken. De gezegende Heere Jezus komt om de treurenden te troosten. Zo’n woord is: ‘Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid.’

Het is een Goddelijke belofte in uiterst verdrietige en onmogelijke omstandigheden. Het Assyrische leger heeft het beleg geslagen om Jeruzalem. Koning Hizkia heeft het goud al van de tempeldeuren moeten halen om de Assyrische koning te voldoen. Maar die is toch met een machtig leger naar Jeruzalem gekomen. En daar honen zij Israëls God! Zij bespotten het vertrouwen dat Hizkia in de Heere mocht stellen. Ach, het gaat de inwoners van Jeruzalem door merg en been. En Hizkia wordt in zijn hart gestoken. De kroon en koninklijke mantel worden afgelegd; hij doet een zak om zijn lendenen. Het volk ziet de koning in treurgewaad. Met Jesaja roept Hizkia naar de hemel: ‘Twist met mijn twisters, Hemelheer’!’ Juist nu belooft de Heere: ‘Uw ogen zullen de koning zien in zijn schoonheid.’ Waarom? De Heere zal verlossing zenden: honderdvijfentachtigduizend Assyrische soldaten zullen gedood worden. De vijand wordt bekleed met schaamt’ en schand’. Dan is Hizkia in God verblijd. Hij straalt weer van blijdschap en draagt zijn koninklijke kleding weer. ‘Uw ogen zullen de koning zien in zijn schoonheid.’

Zo belooft de Heere nog aan een volk dat treurig en verslagen is: ‘Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid.’ Het is de beloofde Messias, Die God tot Koning over Sion gezalfd heeft. Na een uiterst diepe vernedering van krib tot kruis zal Hij verheerlijkt worden. Hij draagt de straf der Zijnen. Hij brengt de eeuwige zaligheid voor hen aan, Hij verhoogt de eer des Vaders. Voor Hem zal gelden: ‘Maar eeuwig bloeit de gloriekroon op ’t hoofd van Davids grote Zoon.’

Onder het zien van deze Koning wordt het geestelijk zien, het zien des geloofs verstaan. Het zien dat zalig maakt: ‘Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.’ Uw ogen!

De ogen die nu somber en bedroefd de wereld inkijken. Waarom toch? ‘Ach,’ zucht iemand, ‘ik ben God kwijt; zonder God in de wereld en geen hoop. Helaas, ik ken de Heere niet en ik kan niet voor Hem leven, hoe gaarne ik dat nu ook wens, maar ik ben geestelijk dood.’

De ogen die nu wenen. Waarom wenen die? ‘Ach Heere, ik heb tegen U zwaar en menigmaal misdreven.’

De ogen die nu terneergeslagen zijn. Waarom toch? ‘Ach Heere, ik ben beschaamd; ik zal de straf mijner ongerechtigheid dragen, want ik heb tegen U gezondigd. O God, zou U nog naar zo’n mens om willen zien?’ De tollenaar durfde zijn ogen niet opslaan naar de hemel.

De ogen die nu niet zien. ‘Heere, is er nog een weg, is er nog een middel om die straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Heere, ’t is zo donker in mijn ziel.’

Kortom, het zijn mensen, die zichzelf verloren leren kennen voor God. ‘Heere, zou ’t ooit kerstfeest voor mij worden?’

Wel, de Heere belooft: ‘Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid.’ Ja, de Heere zal aan zulke bedroefde ogen Jezus tonen in Zijn schoonheid, zowel in Zijn diepe vernedering als in Zijn verhoging.
Zolang wij nog dood zijn in de misdaden en zonden, zolang wij niet onze schande voor God leerden kennen en ons leerden verfoeien in stof en as, zullen wij geen heerlijkheid in een vernederde Zaligmaker zien: ‘Weg met Deze!’ Maar het ware geloof in het verootmoedigde zondaarshart roept uit: ‘Hij is blank en rood en draagt de banier boven tienduizend.’
Ja schoon is Hij ook in Zijn verhoging: de Levensvorst.

O, Jezus is weergaloos schoon, veel schoner dan de mensenkinderen! Wie Hem door het geloof mag zien, weent van vreugde en verwondering.
Gods kinderen zien Hem echter niet altijd. De zonde maakt steeds weer scheiding. Er zijn moeiten en beproevingen. Een wolk neemt Hem vaak weg van hun ogen.
Maar eens zullen zij altijd bij de Heere wezen en hem zien gelijk Hij is. ‘O, Heere, vervul ook aan mijn hart: “Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid.” Voor ’t eerst of opnieuw. ‘Dan zal mijn mond U d’ere geven.’ Dan is het kerstfeest.
Ds. M.J. van Gelder
~~~~~~~~

Dankdag


‘Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen’ (Job 2:10b).
Wij leven weer in de tijd van de dankdagen. Alle reden is er om de Heere nog te erkennen voor het goede dat Hij gaf. Rijk heeft Hij Zijn hand geopend in het natuurlijke leven. Het brood ontbrak niet in onze huizen en ook het water was gewis, ja, veel méér dan dat: overvloed hebben wij nog. Waar duizenden een verschrikkelijke dood sterven, hulpeloos zwervend op nietige scheepjes, of voortgejaagd door het oorlogsgeweld, bespaarde de Heere ons dit alles nog. Hoe lang nog? Ons hart kan beven als wij zien op ons arme volk, dat van geen zonde meer weet en dat lacht om Gods inzettingen. Arm Nederland, hoelang zal God ons nog gedogen?
‘Wij hebben het goede van God ontvangen!’ Dit zijn de woorden van Job, eenmaal in de allerdiepste smart uitgesproken op de ashoop. Het is onmogelijk ons in te denken wat het betekent om alles wat men bezit, op één dag te verliezen, ál zijn kinderen op één dag te moeten begraven en daarnaast door een vreselijke ziekte te worden geteisterd. Ons voorstellingsvermogen schiet daartoe ten enenmale tekort. Er kunnen soms slagen vallen in het leven van onze naaste, waar wij met onze gedachten niet in kunnen komen.
En wie die door zulke rampspoeden getroffen werd, heeft nog nooit die duivelse vijandschap van Jobs vrouw ontmoet in zijn eigen hart? ‘Zegen God, en sterf’, zo roept zij haar man toe. Zij wil zeggen: ‘Vloek maar eens voor het laatst goed uit tegen God en maak dan aan uw leven maar een eind.’ Deze vrouw ‘ziet het niet meer zitten’, om eens een term van onze tijd te gebruiken. Maar tegen deze taal keert zich Gods kind hier verontwaardigd. O, straks zal hij in zijn bittere smart zijn geboortedag gaan vervloeken. Dan wordt zijn geloof als bedolven in de golven van zijn aanvechtingen. Maar nu mag het nog zijn in zijn hart: ‘Zo ik dit zeggen staven zou, gewis, dan waar’ ik niet getrouw aan ’t waard geslacht van Uwe kind’ren.’ ‘Zouden wij’, zo voegt hij zijn opstandige vrouw toe, ‘het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen?’ 
Het zijn twee dingen die Job hier uitspreekt. In de eerste plaats dat het goede van God ontvangen wordt. Daar had Jobs vrouw net zomin erg in als dat zij besefte dat het kwade van God wordt ontvangen. Job had echter geleerd, door Gods genade, dat het goede van God gegeven wordt. Het goede! Wat is er in ons leven veel dat met die woorden ‘het goede’ mag worden aangeduid: gezondheid, voedsel en kleding, kortom, alles wat tot de onderhouding van dit tijdelijke leven behoort. Job had zeer veel van dat ‘goede’ in zijn leven ontvangen. Evenwel niet zoals die rijke man, die ook zijn ‘goed’ in zijn leven had ontvangen, en Lazarus desgelijks het kwade. Neen, Job mocht ook weten van dát ‘goede’, dat nimmermeer vergaat en waarvan velen zeggen: ‘Wie zal ons het goede doen zien?’, maar dat voor hem bestond in het lichten van Gods aanschijn over hem. ‘Het goede.’
Hebben wij in het achterliggende seizoen dat goede niet rijkelijk ontvangen? Beseffen wij ook dat wij het van Gód ontvangen hebben en verwondert dat ons, of incasseren wij ons geregeld inkomen als een vanzelfsprekende zaak? Verootmoedigde dat goede ons ook, gelijk Jakob zich veel geringer wist dan al Gods weldadigheid en dan al Zijn trouw?
Job leert ons dat ook het kwáde van God ontvangen wordt. Hier hebben we dezelfde klanken als in zondag 10: rijkdom én armoede, vruchtbare jaren, gezondheid én krankheid! ‘Het kwade.’ Dat ‘kwade’ kan zich openbaren als armoede, ziekte, tegenheden, verborgen kruis, huwelijksleed.
Er zijn er onder ons wel die in deze tijd van de dankdagen moeten zeggen dat dit ‘kwade’ hun niet bespaard bleef in de achterliggende tijd. Ja, zelfs soms het verschrikkelijke kwaad van de dood. Wat een wonden zijn bij sommigen ook nu weer geslagen. Zeg eens, u die dat kwade ontvangen hebt: ‘Hebt u het van Gód mogen ontvangen?’ Dat wil zeggen: niet bij geval, maar van Zijn hand? Als kwaad dat u
zich toch om uw zonden zo wáárdig gemaakt had? Daar wist Jobs vrouw niets van. Maar Job mocht hoger zien: óók het kwade wordt van God ontvangen. Hij mocht het in Gods hand neerleggen.
Dan wordt het een wonder dat de Heere naast dat kwade, waar we het zoëven over hebben gehad, aan ons nog zoveel goeds geeft. Ja, daar wordt het kwade dat uit Gods hand komt, voor Gods volk nog weleens goed. Daar worden de bittere Marawateren, waaraan de Heere de Zijnen in dit tranendal leidt, nog weleens zoet in de mond van Zijn kinderen. Dan mogen ze leven als Lazarus, de bedelaar. ‘God is mijn hulp’ betekent zijn naam. ‘Het mocht wat’, spotte toen en nu de wereld. Geen cent heeft hij, geen gezondheid, misschien zelfs wel geen thuis. En toch ... toch mocht hij met Jakob zeggen: ‘Ik heb alles.’ Hij klaagt niet over zijn ellende, hij brengt geen beschuldigingen in tegen de bange beschikkingen des Heeren, maar hij heeft geleerd, evenals Job, om God God te laten. Hij jammert niet over het ongelijke lot dat mensen die van dezelfde lap gescheurd zijn, te beurt valt, maar hij aanvaardt zijn armoede, zijn schrikkelijke verlatenheid uit de hand van Hem Die alles bestuurt naar Zijn welbehagen en onbegrepen wijsheid.
Hij praalt evenmin met zijn godsvrucht, hij toont haar alleen door stil te lijden, kalm te verdragen, eerbiedig te zwijgen en zijn begeerten zodanig te matigen, dat hij slechts de kruimels verlangt, die vallen van de tafel van de rijke. Kortom, zijn gehele leven legt hij in Gods handen. Hoe gelijkt dit alles op hetgeen Job door genade ook mocht doen, zij het dan door veel strijd en aanvechtingen.
Dat dit ook ons deel zou mogen zijn, het deel ook van allen die tegenwind hebben, die pijnlijke tegenspoed ondervinden. Dan zal ook van ons einde gezegd mogen worden: ‘En het geschiedde als hij stierf, dat hij door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham.’
Ds. A. Moerkerken
~~~~~~~~

Geboren in Sion


‘Deze is aldaar geboren’ (Psalm 87:6b).
Het is de Heere Zelf Die deze woorden getuigt. Hij doet het tot driemaal toe. Eerst geldt het van Rahab, Babel, de Filistijn, de Tyriër en de Moor. Dan wordt het ook van de Jood gezegd. En in onze tekst volgt het als een refrein: ‘Deze is aldaar geboren.’

Het is Pinksteren geweest. Dit Evangelie wordt ook nu aan uw hart gelegd: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven’ (Joh. 5:25).

Zijn de vruchten van het levenwekkende werk van de Heilige Geest in uw leven al zichtbaar geworden?

In deze psalm worden nadere bijzonderheden vermeld van deze geboorte. Het is een geboren worden in de stad van God. Dat is het Koninkrijk van God dat nu nabijgekomen is. Van nature staan we hier buiten. En door de zonde kunnen wij deze Godsstad niet binnengaan. De Heilige Geest overtuigt van deze werkelijkheid. De noodzaak van dit eenzijdige werk van God wordt dan op het hart gebonden. Wij moeten ‘aldaar geboren’ worden.

Van deze stad heeft God het fundament gelegd in het Borgwerk van Zijn Zoon. Hij voldeed aan de eis van Gods recht. Daarvoor heeft op Golgotha Zijn bloed gevloeid. Wie in de stad Gods geboren wordt, wordt gefundeerd op dit vaste fundament. Daartoe ontdekt de Heilige Geest de mens aan zijn verloren staat. Bent u er zo al van overtuigd dat u in uzelf geen bestaansgrond hebt voor God? Eens mens strijdt ertegen. Maar als de Heere inwint met Zijn liefde, gaan we buigen. Daar worden we een verloren zondaar voor God. Zo ontstaat de honger naar Christus’ gerechtigheid.

Van deze stad geldt ook dat God haar heeft verkoren. God bemint de poorten van Sion. Het bestaan van deze stad komt voort uit het eeuwig welbehagen van God. Alles wat ertoe nodig is, heeft Hij vastgelegd in Zijn eeuwig verbond. Nooit zal een stedeling kunnen roemen in iets wat van hem zelf is. Want het is door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen.

Degenen die in haar geboren worden, rekent Hij onder hen die Hem kennen. ‘En dit is het eeuwige leven,’ sprak de Heere Jezus, ‘dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt’ (Joh. 17:3).

Wat een wonder als de Heere Jezus Zich aan de ziel openbaart. Dan mag Hij door het geloof worden gekend. Het eeuwige heil ligt in deze Zaligmaker. Het is zo groot om als een arme zondaar deze genade te ontvangen.
In de Godsstad is heilige vreugde. Gods genade maakt ootmoedig. Zo wordt het hart tot dankbaarheid geleid. Diepe verwondering welt daarin op: ‘Al mijn fonteinen zullen binnen u zijn.’ De eerste tonen van deze hemelse muziek worden op aarde geleerd. Strekt zich daar ook al uw lust en liefde heen?
Aan de genadeweldaden van God hebt u alleen deel als u aldaar geboren bent. Precies dat was het wat de Heere Jezus voorhield aan Nicodemus. Hij begreep het niet. Deze leer is ook niet naar de mens. Hier wordt God op het hoogst verhoogd en de mens op het diepst vernederd. ‘Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, vanwaar hij komt en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is’ (Joh. 3:7,8). Zo moge het gelden van u en van mij: ‘Deze is aldaar geboren.’
 
Ds. G.W.S. Mulder, Zoetermeer
~~~~~~~~

De noodzaak van wedergeboorte


‘Gijlieden moet wederom geboren worden’ (Johannes 3:7).
De tekstwoorden verplaatsen ons in de tijd van de naar deze lage aarde gekomen Zaligmaker. Hoe Hij de menselijke natuur heeft aangenomen. Om te komen onder de wet en de straf te dragen voor Zijn uitverkorenen. Om zo aan Gods gerechtigheid genoeg te doen. Zodat er in Hem weer verzoening te verkrijgen is met God, wat persoonlijk zo noodzakelijk is.

Noodzaak
‘Gijlieden moet.’ Ja, het is een heilig moeten, maar waarom is het nu zo noodzakelijk? Luister, dan gaan we even naar het begin van Gods Woord, waar God de mens geschapen heeft. Waar het pronkjuweel geschapen is om altijd God te loven te prijzen en Hem eeuwig te bedoelen.
Daar was een harmonie tussen Schepper en schepsel. Daar waren we in een hemels Koninkrijk, en je weet de uitkomst. Je weet wat daar gebeurde. En wat is nu de uitkomst? Dat we nameloos diep gevallen zijn. We wilden als God zijn en de uitkomst is dat we slijk zijn. We zijn jammerlijk gevallen, we hebben allemaal in onze eerste vader Adam God de rug en de nek toegekeerd.

‘Ja maar, dat hebben wij toch niet gedaan? Dat heeft Adam toch gedaan?’
Ik hoop niet dat dit uitspraken van jou zijn. Adam is toch onze eerste vader. Daar kan en mag je niet omheen. Want de grote Koning heeft in Zijn wijs beleid ons niet allemaal tegelijk geschapen. Nee, de een is uit de ander voortgekomen, en zo is Adams schuld ook onze schuld geworden. Weet je, zo is onze hele natuur verdorven geworden en daardoor de geestelijke, tijdelijke en eeuwige dood onderworpen. Een vogel, die kan nog fluiten tot de eer van zijn Schepper. Maar wij hebben alles verloren en bezitten geen vermogen meer om God te bedoelen.

Tenzij
Hij heeft tot hiertoe nog geen lust in je dood gehad. Nee, Hij zoekt niet je verderf. Hij roept nog: ‘Wendt u naar Mij toe en wordt behouden.’ Want nog is het de genadetijd, nog spreekt de grote Koning. O, hoe nodig, hoe nodig is het dan om wederom geboren te worden. Je moet, zoals de kanttekenaren het zeggen, opnieuw, of van boven, dat is: door de werking van de Heilige Geest geboren worden. Je moet een Goddelijke natuur deelachtig worden, een natuur die in beginsel God weer gaat bedoelen. Je moet vanuit je doodstaat levend gemaakt worden, je moet van blind ziende gemaakt worden, je moet van doof horend gemaakt worden. Nog eenvoudiger: je moet een nieuw hart hebben, want je oude stenen hart, dat is zo boos. Je moet een nieuw vlezen hart krijgen.

Wonder
‘Gijlieden moet wederom geboren worden.’ Is het geen wonder dat de Heere je nog naloopt en laat verkondigen: Je kan nog wederom geboren worden? Niemand te oud, niemand te slecht, niemand te lang gezondigd, niemand te jong. Want onze God is een ontfermende God en Hij vergeeft menigvuldiglijk. Bij onze God zijn uitkomsten tegen de dood. Ja, er is blijdschap in dat hemelse Koninkrijk over een zondaar die zich tot God bekeert. Met eerbied gesproken, de Koning is gebonden op de galerijen van Zijn koninklijke hof of er nog iemand is die naar God gaat vragen, naar God gaat zoeken, ja, of er nog iemand is die Christus nodig heeft. Ja, ‘gijlieden moet wederom geboren worden’.
Ds. C. v. Krimpen
~~~~~~~~

Christus' ontferming


"Hij zal den arme en nooddruftige verschonen..." (Psalm 72:13)
Davids levenseinde nadert. De liefelijke in psalmen Israels heeft een veelbewogen leven achter zich. Als hij daar op zijn sterfbed op terugblikt, heeft hij over zichzelf weinig goeds te vertellen. Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, zo horen we de man naar Gods hart spreken in 2 Samuel 23:5. Maar de Heere vergunt het David dat hij veel verder mag terugblikken dan zijn eigen leven. Hij mag zien op Hem Die met David een eeuwig verbond heeft gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. Davids geloofsoog wordt geopend voor Christus, het Hoofd van het genadeverbond. En zo mag hij door Gods Geest gedreven Psalm 72 dichten als een afscheidslied, als een geestelijk testament (zie de kanttekening bij vers 20).

In Psalm 72 wenst David zijn zoon Salomo een voorspoedige regering toe. Maar zeer duidelijk blijkt dat de oude koning veel verder mag blikken dan de regering van zijn zoon. Voor Salomo immers hebben zich niet alle koningen nedergebogen, zoals we lezen in het elfde vers.

In Christus zal deze Messiaanse psalm volkomen worden vervuld. Wat zal Zijn werk zijn? Hij zal den arme en nooddruftige verschonen. Wonderlijk koninkrijk is het koninkrijk der genade waarover Christus van eeuwigheid tot Koning is gezalfd. De onderdanen van dit koninkrijk zijn... armen. Allemaal. Zalig zijn de armen van geest, zo sprak de Borg in de eerste van de zaligsprekingen. Christus stelt er Zijn eer in om juist armen te redden en te helpen. Zij die rijk en verrijkt zijn en geen dings gebrek hebben, bewijzen deze Koning niet nodig te hebben. Aangrijpend is het als we dan toch menen dat het wel met ons is op reis naar de eeuwigheid. In zijn laatste psalm gaat David de burgers van het koninkrijk van Gods genade benoemen. Armen zijn het. Arm. Dat is een ingrijpend woord. In het paradijs waren we niet arm. We leefden in de onuitsprekelijke rijkdom van Gods gunst en gemeenschap. Maar door de val zijn we God kwijtgeraakt. Dat is arm! We hebben geen behoefte aan God en Zijn eer, we bezitten werkelijk niets dat God behagen kan. We zijn dood door de misdaden en de zonden. En het ergst is dat we er zo blind voor zijn. De één is rijk aan aardse goederen en bekommert zich niet om zijn staat voor de eeuwigheid. Een ander doet z''n best en meent dat God tevreden zal zijn. Een derde had het wel eens moeilijk, maar plotseling geloofde hij dat hij erbij hoorde. Wat arm!

Zijn onze ogen geopend voor onze nameloze armoede, omdat we door onze zonde God missen? Als de Heere door Zijn Geest een zondaar wederbaart, gaan daar de ogen voor open. Dan zien we dat we buiten God liggen, dat we onbekeerd zijn, dat we nameloos ongelukkig zijn. Wat we ook proberen om het goed te maken, steeds dieper laat de Heere dan zien hoe arm we zijn. Arm aan berouw over de zonde, arm aan een waar gebed, arm aan ernst in de dienst des Heeren. En in het bijzonder als er gepreekt wordt over een Middelaar Die bekwaam en gewillig is om armen te verschonen, wordt de armoede zo diep ingeleefd. Hem niet te kennen! Hem te missen! Dat gemis kan nergens door goedgemaakt worden. Het is het kenmerk van het ontgrondende werk van Gods Geest dat Zijn kinderen steeds armer worden. Dat is een levensles, waar Gods oprechte volk nooit in uitgeleerd raakt naar Gods eigen getuigenis bij monde van Zefanja: Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.

Hoe diep gaat deze armoede? Wie zal de maat bepalen? Niet de mens. Laten we luisteren naar de maat die onze tekst aangeeft door het woord ''nooddruftige''. Dat is iemand die het nodigste mist. Dat is het kenmerk van de ware armoede: het brengt in een levend gemis. Je kunt er dus niet van leven; het moet opgelost worden. Nooddruftig, het nodigste missen. Wat houdt dit in? Kunt u daar een antwoord op geven, een antwoord vanuit de zielsbeleving? Met ons verstand weten we wat we missen, maar o, hoe anders wordt het als Gods Geest daaraan ontdekt. Dan leer ik dat ik God mis. Dat is alles missen! Dan leer ik dat ik Gods wet moet gehoorzamen, maar dat nooit heb gedaan. Dan mis ik het nodigste: gehoorzaamheid. Gods Geest gaat leren dat er betaald moet worden. En dan niets te hebben om te betalen! Het nodigste te missen! Wat wordt Gods Kerk in een weg van nadere oefening nooddruftig. Toen het geloofsoog geopend werd voor die ene Middelaar Die Zich in hun verlorenheid openbaarde, nee, toen waren ze niet nooddruftig. Toen vonden ze alles in Hem. Maar als Hij Zich verbergt, kunnen ze nergens bij, kunnen ze geen kruimel geloof voortbrengen. En als ze moeten inleven dat een geopenbaarde Middelaar geen toegepaste Zaligmaker is, wat wordt de Kerk dan nooddruftig. Zonder Middelaar in Gods recht, dat is voor eeuwig omkomen! Hem te missen is alles te missen.

Tot armen en nooddruftigen gaat David in zijn laatste psalm bemoedigende woorden spreken. Hoe? Door te wijzen op Christus. Onze tekst begint met het woordje ''Hij''. Wie Hij is? De eeuwige Zoon van God, Die in de vrederaad door de Vader werd verordineerd en gezalfd tot Middelaar. Hij is het Die in de volheid des tijds geboren werd in de kribbe, Die wilde lijden en sterven. Hij is het Die arm werd daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. Hij is het Die in de diepste mate geproefd heeft wat arm en nooddruftig was. Het nodigste moest Hij missen toen Hij het aan het vloekhout der schande uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Hij moest de gunst van Zijn Vader missen. Wie kan dat bevatten? En dat alles als Borg voor een volk dat vrijwillig van God is afgevallen om nooit meer terug te keren.

Volkomen heeft deze Borg de zaligheid voor de Zijnen verdiend. Dan zal Hij het ook toepassen. Daarover spreekt David. Hij zal... verschonen. We zien de arme en nooddruftige uit onze tekst. Schuldig en veroordeeld. Het is onmogelijk geworden om met God verzoend te worden. Als Christus Zich niet openbaart, is het voor eeuwig kwijt. Zó beleeft Gods volk het als God hen afsnijdt van hun werken. Hoe we dat weten? Uit onze tekst. Hij zal verschonen, zo lezen we. Wat is verschonen? We doen een grote stap terug in het leven van David. Gezalfd tot koning, maar achtervolgd door Saul. In het rotsgebergte van Engedi verschuilt David zich met zijn mannen. Daar komt Saul de spelonk binnen waar David zich verstopt heeft. Dood de koning, raden Davids mannen hem aan. Maar Davids hart slaat hem, zodat hij de koning niet kan doden. Even later roept hij het Saul toe: Men zeide dat ik u doden zou, maar mijn hand verschoonde u. Verschonen betekent ''sparen van de dood''. Datzelfde lezen we in het boek Jona. God heeft Ninevé verschoond, dat is gespaard van het aangekondigde oordeel.

Als God armen en nooddruftigen gaat verschonen, beleven ze het rechtvaardige van Gods straf op de zonde. Dan staan ze naar recht overal buiten. Door de uitgestorte liefde in het hart gaan ze Gods oordeel aanvaarden als rechtvaardig (Heid. Cat. vraag 12). Dan kunnen én willen ze Gods recht niet meer ontlopen. Kent u dat? Wat wordt het wonder dan onuitsprekelijk groot als Christus daar Zijn werk gaat doen, als Hij Zich openbaart als die grote Ontfermer over armen en nooddruftigen. Hij is gekomen, zo sprak Hij, om te zoeken en zalig te maken dat verloren is. Wat wordt Christus dan beminnelijk en begerenswaardig om Hem te kennen en vervolgen te kennen. Wat wordt de gang van Zijn vernedering dan dierbaar voor de ziel, wat wordt Hij noodzakelijk in Zijn verhoging om de gerechtigheid, zo duur verworven, toe te passen. Wat wordt het wonder dan groot dat deze Middelaar op zulken wilde neerzien, dat Hij Zich niet schaamt om armen en nooddruftigen broederen te noemen.

Hij zal verschonen. Bij Christus is ontferming te vinden. Om niet, voor de grootste van de zondaren. Loopt u vast? Mist u alles? Zoek Hem te kennen! Weet u niet hoe het moet? Houd moed. In onze tekst staat: Hij zal. Verwacht niets van uzelf, maar ga met Bartimeüs roepen: Gij Zone Davids, ontferm U mijner!
 
Ds. J.M.D. de Heer, Middelburg
~~~~~~~~

Ik hef mijn ogen op


"Ik hef mijn ogen op..." (Psalm 121:1a)
Voor we straks op vakantie gaan, nog snel even een blik in de Heraut. En wat lees ik...? ‘Ik hef mijn ogen op...’ De woorden van de dichter die als pelgrim het gebergte van Judea nadert, waar de machtige massieven voor hem oprijzen. Ongetwijfeld zal ons dat aanspreken wanneer we de komende tijd een poosje hopen te verkeren in Oostenrijk of Zwitserland of welk ander bergland ook. Immers, hier in Nederland kennen we geen bergen. Op z’n best de top der duinen in Zoutelande.
‘Ik hef mijn ogen op...’ Nee, dat is maar niet vanzelfsprekend. Dat heeft een achtergrond. De dichter is onderweg naar de Godsontmoeting in Jeruzalem. Daar is hij zich terdege van bewust. Het heeft hem aangegrepen tot in het merg van z’n leven, want: ‘Wie zal God zien en leven’? En daarom, in plaats van zijn ogen op te heffen, heeft hij ze neergeslagen. Net als de tollenaar in Lukas 18: ‘Van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel...’
Echter, in de vorige Psalm zegt de dichter: ‘Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid’ (Ps. 120:1). Ik denk dat hij dat niet veel anders gedaan heeft dan de tollenaar, en u en jij en ik die daar wat van kennen: ‘O God, wees mij zondaar genadig’! Wat komt die pelgrim in alle opzichten van ver en diep. In z’n paspoort staat Psalm 120:5: ‘O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon.’ Daar woont een onheilig en goddeloos volk, zegt de kanttekening. Afstammelingen van Ismaël, de verworpene uit Abraham; vijanden van God en Zijn volk. Die ‘valse lippen’ en een ‘bedrieglijke tong’ hebben, die de vrede haten en in oorlog zijn (Ps. 120:2, 6-7).
Dat kun je toch met je verstand niet begrijpen, dat God dáár nou een mensenkind uit ophaalt om in Jeruzalem te brengen?! Tot die opzoekende en vindende HEERE heeft de dichter zijn benauwde zondaarsziel uitgeklaagd. En...? ‘Hij heeft mij verhoord’ (Ps. 120:1)! En nu is hij vanuit de strijd in Mesech onderweg naar de rust in Jeruzalem. Met eerbied gesproken: ‘op vakantie’ (vacare: ‘vrij zijn van’). Een ogenblik verlost van de wereld, de zonde, de ongerechtigheid en bovenal van zichzelf. Om in het zoenbloed van het offer bewust ontheven te mogen zijn van schuld, straf en oordeel. Ja, om te mogen leven met en door en voor de Heere. O, het is allemaal heimwee waarmee zijn hart vervuld is. Verlangen naar de Heere en Zijn gemeenschap. Het door genade en liefde thuiskomen bij de Heere, Die hoog woont, daar tussen de bergen in Jeruzalem.
Vandaar: Ik hef mijn ogen op...’Weet u, weet jij wat dat voor ogen zijn? Geloofsogen! Nee..., geen blinde ogen. Vroeger wel. Maar de Heere, Die hem in Mesech gevonden en gezien heeft, heeft zijn ogen geopend. Heeft de Heere dat bij u, jou en mij ook gedaan? Of gaan we straks blind op vakantie? Of blijven we blind thuis? Zullen we oog hebben voor de bergen, maar niet voor de God van die bergen? Weet dat we dan eenmaal zullen uitroepen wat de Heere Jezus voorzegt: ‘Bergen, valt op ons, en heuvelen, bedekt ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op den troon zit, en van den toorn des Lams’ (vgl. Luk. 23:30; Openb. 6:16). Daarom, geliefde lezer, er is maar één Berg, één Rots van behoudenis. Jezus Christus, Die vanaf Golgotha voor de ellendigen uit Mesech uitgeroepen heeft: ‘Het is volbracht.’ Die vanaf de Olijfberg opvarend naar de hemel, Zijn Middelaarshanden uitstrekte voor opgeheven ogen. Zo heeft Hij voor Zijn pelgrimsvolk op aarde willen bevestigen: ‘Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.’
‘Ik hef mijn ogen op naar de bergen...’ Gelukkig staat er wat achter. En dat komt omdat het hart van de pelgrim met die ogen meegaat. Dat van nature zo vaak benauwde en bedroefde hart om zonde en schuld, maar door Gods genade en Geest vernieuwde hart. Daarom, ‘...vanwaar mijn hulp komen zal.’ Dat mag hij zó vast geloven, en wel hierom, omdat die hulp beloofd is door het Woord van God en gegrond is in het verbond van God. En dat alles om het eeuwig welbehagen, waarom Hij de hemel en de aarde gemaakt heeft en nieuw maken zal.
Al rijzen dan de bergen van onmogelijkheid op en weten we niet hoe we er op en af moeten komen, de Heere helpt. Dat blijkt uit héél dit pelgrimslied. De Heere gaat mee als een schaduw aan de rechterhand in het donkere van de nacht en in de hitte van de dag. Hoe lang? Tot hij er is en wij er zijn, en ik bid en hoop samen met u deel uit te mogen maken van die ‘wij’. Immers, zo zegt Psalm 122:1: ‘Ik verblijd mij in degenen die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.’
De Heere geve ons onderweg, straks naar waar dan ook, maar bovenal naar de eeuwigheid: ‘De HEERE zal u bewaren van alle kwaad, uw ziel zal Hij bewaren. De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.’
‘Ik hef mijn ogen op...’ Mag je het ook zien...?

Die son wat bo jou trekpad staan,
sal jou nie steek bij dag;
die maan ook nie bij nag.
Die HEER sal met jou samegaan.
Hij, Israels ontfermer,
is altijd jou beskermer.
(Psalm 121:3) 
Ds. J.J. Tanis
~~~~~~~~

Gelovige ouders


"Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet" (Hebreeën 11:23)

Het is maar een kleine en eenvoudige slavenwoning waar de tekst van onze overdenking heen leidt En toch... ze overtreft het meest heerlijke paleis van Egypte. Waarom...? Omdat de HEERE er de grootste plaats in inneemt En wanneer dit zo Is, zie je dat hoor je dat en merk je dat Dat is het verschil met de wereld. Die hebben niet alleen de wereld in het hart maar ook de wereld in huls. En... wat leeft er in mijn hart en in mijn huis?

Opnieuw zijn vader en moeder, Amram en jochebed, verblijd geworden met de geboorte van een welgeschapen jongetje. Wie zijn toch deze Amram en Jochebed? De tekst vermeldt ons dat deze ouders gelovige ouders zijn. Dat is een voorrecht O, vrat een genade en eeuwig wonder om gelovige ouders te mogen zijn, en ook gelovige ouders te hebben.

Amram is de zoon van Kehat uit de stam van Levi. Zijn naam betekent „Door God verheven". Hij is met al Gods volk verhoogd uit de drek; de Heere heeft hem opgehaald uit de staat van zijn verlorenheid, ja, uit de nacht van zijn zondeleven, en gebracht tot het koninkrijk van Zijn wonderbaarlijk licht Hij mag delen in de verhoging van de Heere Jezus Christus, want er staat „Door het geloof..." Dat is het geloof dat met Christus verenigt en Zijn weldaden deelachtig maakt

Dat is vader. En nu moeder. Haar naam is Jochebed. Bij de overdenking van de betekenis van haar naam trillen de zielesnaren van Gods Kerk. Want deze naam wil zeggen: „De Heere alleen de eer", of: „Jehova's roem". Dat moedertje mag bij bevinding Psalm 89 vers 8 kennen: „Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht Uw vrije gunst alleen wordt d'ere toegebracht.." 

O, wat een voorrecht uit zulke ouders te worden geboren. Dat wil niet zeggen dat we daarmee ook automatisch uit God zijn geboren. Want daar is een andere weldaad voor nodig, namelijk de wedergeboorte. Geloof maar gerust dat Jochebed haar kind, dragende nog onder haar hart reeds heeft opgedragen aan de troon der genade.

O, het was toch zo’n bange tijd waarin Mozes werd geboren; we kennen de geschiedenis. Er zat een Farao op de troon in Egypte, die Jozef niet had gekend. Toen Jozef nog leefde, was het nog uit te houden, maar na zijn dood is de ellende begonnen.

Die Farao zag een bedreiging in dat volk van Israël. En toen heeft hij dat volk de oven in gedreven. De oven van de verdrukking. Maar waar hij nu geen erg in had, was dat de God van dat volk daarin met hen was. Want hoe meer het volk werd verdrukt hoe groter het werd. Ze werden gegeseld, verdrukt en vertrapt, kortom, vernederd tot een slavenvolk dat de tichelovens moest bevoorraden. Ze zagen zwart vanwege hun dienstbaarheid.

En omdat dit allemaal niet hielp, hebben de vroedvrouwen Sifra en Pua de opdracht ontvangen alle jongetjes bij de geboorte te doden. Maar wat blijkt ook dat een misrekening. Want die zusters hebben meer Godsvreze dan Farao''s vreze. O, hadden we daar toch meer van! En dan gaat die duivelse Farao ten slotte zo ver, dat hij de kinderen in de Nijl laat werpen.

En dan wordt Mozes geboren. Voor de Nijl? Om verbrijzeld te worden door de machtige kaken van de krokodillen? Kun je toch begrijpen, Amram en Jochebed hebben hun kindje maar wat goed verborgen. Waren het ten diepste zijn ouders die hem verborgen? Nee, zegt de tekst het was het geloof! Dus heeft God Zelf hem verborgen. Mozes zal er later van gewagen:

 „Die In de Schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen".

Zo hebben ze hem dus verborgen. En die ouders hadden daarin een verborgen leven met de Heere. Waarom? Wel, omdat ze zagen dat hij, het kindeke, schoon was.

Maar... alle kleine kindertjes zijn toch lief en schoon? Ja, maar dit „schoon" in de ogen van Amram en Jochebed heeft toch iets bijzonders. Ze zagen er de glans des Heeren op. Dit kind is niet alleen hun kind, maar bovenal Gods kind. En daarin pronkt God met Zijn eigen werk. God gaat in dit kind Zijn belofte vervullen. Hij gaat dit kind gebruiken als middel In Zijn hand om een volk in nood en dood uit te leiden. De naam van dit kind gaat de Heere verbinden aan de Exodus, dat wil zeggen aan de uitleiding van Zijn volk. Daarom is hij in het geloof door z''n ouders verborgen. Drie maanden lang. En ja, hou dan zo’n kind nog eens langer stil, dat is schier onmogelijk.

Dan weten we van het biezen kistje en zijn tewaterlating in de Nijl. Dat is Israels behoudenis, al heeft er nog niemand erg in. Want de Ark Is Christus. „Is Israël in nood, er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot". Immers, God waakt over Zijn uitverkoren Kerk. Kijk, daar blijven nu Farao en de krokodillen van af, want dat is van de Heere en vóór de Heere. Vandaar zijn naam, Mozes: „Uit het water getrokken". Ja, uit de dood overgebracht In het leven en uiteindelijk in het eeuwige leven.

De Heere lere ons uit dit alles maar lessen waarmee we eeuwigheidswinst mogen doen, in het bijzonder wanneer ons kinderen zijn toebetrouwd. Hetzij dan door genade, om Zijn welbehagen, ook voor ons van toepassing: „Ik ben uw God en uws zaads God".

Ds. J.J. Tanis
~~~~~~~~

De volheid des tijds


"Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden." (Galaten 4)

Wat wordt er bedoeld met deze uitdrukking? "De volheid des tijds" schijnt te kennen te geven de volkomen voleinding en algehele vervulling van die tijd, die van alle eeuwigheid in Gods gedachten was bestemd. Waarom de Heere een zekere tijd vaststelde voor Christus om te verschijnen en waarom die tijd zo laat lag in de geschiedenis der wereld, weten we niet. Het is verborgen in de eeuwige gedachten van God en maakt deel uit van Zijn oneindige en ondoorgrondelijke wijsheid. Maar dit weten wij, dat het juist zulk een tijd was, als God het meest gepast achtte, om er die heerlijke gebeurtenis in te vervullen. Daarom wordt het genoemd "de volheid des tijds" omdat de tijd, die God bestemd had, toen volkomen vervuld was. En inderdaad, zelfs met onze beperkte inzichten, met onze onvolmaakte kennis van die tijd, kunnen wij zien, dat er hierin enige treffende voorbeelden van de wijsheid van God werden tentoongespreid.
Ten eerste, toen Christus kwam, was de wereld in vrede. Bijna de enige tijd gedurende vele, vele jaren, was er toen een algemene vrede over de gehele wereld. Ten tweede, door de voorzienigheid van God waren alle volkeren aan één juk onderworpen en ze werden aldus min of meer tot één volk. En ten derde werd er toen in de voorzienigheid van God algemeen één taal - de Griekse taal - gesproken. Zodat, als er geen andere redenen waren, deze drie genoegzaam schijnen te zijn om aan te tonen, dat dit een gepaste tijd was voor de Zoon van God om te verschijnen, opdat Zijn Evangelie zijn loop zou hebben en verheerlijkt zou worden en Zijn zaligheid bekendgemaakt zou worden tot aan de einden der aarde. In deze volheid des tijds moesten de voorzeggingen aangaande de Messias worden vervuld en de offeranden moesten worden vervuld in die ene Offerande, het Lam Gods, geslacht van voor de grondlegging der wereld.
O, zie wat een bemoediging dit is voor arme, belaste zondaren, die worden veroordeeld door de wet! God heeft Zijn geliefde Zoon gezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, om te verlossen degenen, die onder de wet waren, opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Bent u onder de wet? Gevoelt u, dat u daar bent? Veroordeelt de wet u? Is de zonde uw kwelling? Bent u bevende bij de toekomende toorn? God heeft Zijn Zoon gezonden om zulken als u vanonder de wet te verlossen, opdat u de aanneming tot kinderen zou verkrijgen.
Als u in staat wordt gesteld in Jezus Christus te geloven tot zaligheid van uw ziel, dan zal ieder gezegend gevoelen in uw hart worden verwekt. De HEERE zal de Geest van Zijn Zoon met kracht in uw ziel zenden, waardoor u in staat gesteld wordt te roepen: "Abba, Vader!" Hij zal de Goddelijke betrekking erkennen als van Zijn eigen schepping en schenking. Zijn Geest zal getuigen met uw geest, dat u een kind van God bent en u zult worden verzegeld als een erfgenaam van God, een medeerfgenaam van Christus en dit alles voortvloeiende uit en tot lof van die overvloeiende genade, die, waar de zonde overvloedig is geweest, veel meer overvloedig zijn zal, tot de eer van God en tot zaligheid van Zijn volk.

J.C. Philpot
~~~~~~~~

Rusteloos


Geef uzelve geen rust. (Klaagliederen 2:18b)
Er ligt weer een oud jaar achter ons en een nieuw jaar voor ons. Rusteloos vervliegen de tijden, waarin het ene geslacht gaat en het andere komt. In het licht van de eeuwigheid zijn onze tijden van geen betekenis. Hoewel... de eeuwigheid is niet los te denken van de tijd, de genadetijd die ons door God geschonken is. Want achter de ons door God gegeven tijd ligt een eeuwig wel of eeuwig wee. Mozes zegt van die tijd: ‘Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwake.’

En in al die tijden wordt niet anders dan onrust gevonden. Hoe dat komt? Wel, omdat ik moed- en vrijwillig de vrede met God verbroken en die zoete rust in het paradijs gruwelijk verstoord heb.
Het zijn de vruchtgevolgen van Adams diepe val. En daarom is er onrust, niet alleen in de tijden waarin de eeuwen wisselen, maar bovenal ook in mijn bestaan, vanbinnen in mijn hart. ‘Onrustig is het hart,’ zegt Augustinus, ‘totdat het rust vindt in God.’ En Job zegt: ‘De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust.’

Het is wel een wonderlijke tekst die boven onze meditatie staat: Geef uzelve geen rust. Toch is dat mijn hartelijke nieuwjaarswens, geliefde lezer.
En wat de Heere in deze tekst zegt, dat is nu precies wat ik niet wil. Omdat Israël niet wilde wat God wilde, is het volk in ballingschap in Babel. Gods tuchtroede is vanwege hun ongehoorzaamheid over hen heengegaan. De Heere laat de zonde niet ongestraft. Dat kunnen we weleens denken, maar vroeg of laat houdt God op met lankmoedig te zijn. O, wie zal dan kunnen bestaan, als de Heere in Zijn toorn en gramschap tot ons komt?

Maar nu is er een volk in Babel, dat met de oordelen onder God terecht mocht komen. Ze hebben God in Zijn straffen gebillijkt. Verbroken van hart en verslagen van geest hebben ze daar moeten belijden: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’ Dan gaat het hart zich tot God keren, omdat God Zelf het hart neigt en het verstand verlicht. Hoor ze roepen:
 
Zie op mij in gunst van boven;
Wees mij toch genadig, HEER’;
Eenzaam ben ik en verschoven,
Ja, d’ ellende drukt mij neer.

Als dat nog onbekende klanken voor u zijn, dan hoop ik dat de rust u eens opgezegd mag worden. Er gaat een volk over de wereld dat nergens meer rust kan vinden. Waar
ze het ook zoeken, het wordt steeds hopelozer en het
gaat steeds meer vastlopen in hun leven. Hoe dat komt? Wel, omdat ze de rust zoeken in zichzelf. En ze worden er steeds onrustiger van. Of ze zoeken het in het verbroken werkverbond, maar de Boom des levens wordt er niet in gevonden. Dan zoeken ze het weer bij de Sinaï, maar daar zijn niet anders dan bliksemen en donderslagen.
Onrust...
’k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zodat mijn dood voorhanden scheen,
En alle hoop mij gans ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

Weet u Wie zulke tobberds nu nodig krijgen? De Silo, de Rustaanbrenger, de Vredevorst Jezus Christus. Hij is het enige Middel tot hun rust en vrede.
Kom, geliefde lezer, verstaan we daar iets van, wanneer we dit lezen? Geef uzelve geen rust, dat is de boodschap die God door middel van Zijn profeet Jeremia geeft voor het nieuwe jaar. Alleen in die weg komt een zondaar tot het welaangename jaar des Heeren.
Rust niet in het roepen tot God om Zijn ontferming en genade. Want de rust die u nu meent te genieten, is een valse en een levensgevaarlijke rust. We mogen wel spreken over Gods goedheid, dat Hij ons deze rust nog komt te verbieden. Verhard u dan toch niet wanneer u de stem des Heeren heden nog beluistert: Geef uzelve geen rust! 
Ds. J.J. Tanis
~~~~~~~~

Oudejaars-meditatie


Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen (Psalm 90:12)

De vraag om het Goddelijk onderwijs in de tekstwoorden van onze overdenking is uit het gebed van Mozes, de man Gods. Het is een gebed dat opklimt uit een hart dat leeft in een woestijnbestaan. Een zwaar leven, waarvan het uitnemendste moeite en verdriet is. Mozes bevindt zich temidden van een volk dat hij moet leiden naar het door God beloofde land. Een schier onmogelijke taak: omgaan met een volk dat voortdurend tegen hem in opstand komt. Maar het meest verschrikkelijke is de opstand en vijandschap tegen God. Thans heeft Mozes zich afgezonderd in de eenzaamheid en hij worstelt met de vragen rondom leven en dood. Ontzettend is de macht van de dood. Dat heeft Mozes ondervonden. Want reeds meer dan zeshonderdduizend mannen van twintig jaar oud en daarboven zijn in de woestijn door de dood neergeveld. Hij ervaart de vergankelijkheid van het leven, maar daarin ook de toorn van God over de zonden.

"Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt”. Het gaat met de mens als met het woestijngras. Wanneer de schrale woestijnwind het zand voortstuift, is dat gras daartegen niet bestand. In één dag verdort het, zo groen als het was. In één ogenblik gaat het te gronde. Zo vergaat ons leven door Gods toorn. Vandaar de zo betekenisvolle bede: "Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen”. Nee... niet onze jaren, want wij rekenen zo dikwijls in jaren, maar onze dagen. Wij zijn maar mensen van een dag. "Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest”, zei Jakob. Het is waar: "Elke dag heeft genoeg aan ziins zelfs kwaad”. Mozes bidt om een wijs hart. En om een wijs hart te bekomen is het nodig dat we onze dagen leren tellen. 'Dagen tellen' dat wil zeggen: bedenk de kortheid van het leven, de vergankelijkheid van ons bestaan.

'Dagen tellen' dat wil zeggen: dagelijkse afhankelijkheid en dagelijkse schuldbeleving. "Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden, geljik ook wij vergeven onze schuldenaren”.

'Dagen tellen' dat wil zeggen: de oorzaak bedenken van de moeiten en zorgen van het leven. En waar komen we dan terecht? Wel, bij onze zonde en schuld en bij Gods rechtvaardigheid in Zijn oordelen en straffen.

Het verstandswerk in dat tellen van onze dagen schenkt ons geen wijs hart. Hierin is nodig, dat de Heilige Geest ons doet verstaan hoe groot onze zonden en ellenden zijn. O, wat zijn de dagen die God ons schenkt kostbaar! Het zijn genadedagen! Dagen waarin de Heere ons nog toeroept: Bekeert u! Ontelbare keren hebben Mozes en de profeten dit Israël aangezegd. En omdat we van nature in plaats van een wijs, een dwaas hart omdragen, tellen we onze dagen niet. We jagen voort naar de eeuwigheid, de rampzaligheid tegemoet. 

'Dagen tellen' dat wil zeggen: "De goddeloze verlate ziin weg en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de HEERE, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk”. Zie hier het bevel en de belofte waarmee God op deze dag tot u komt. Laat uw vijandig hart dan niet redeneren en zich verharden onder dit woord. Want: "Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet, maar laat u leiden”. Maar God moet het toch doen? Dat is juist. En gelukkig, want als ik er ook maar iéts aan zou moeten doen, was het voor eeuwig kwijt. Daarom, zullen we onze dagen tellen en een wijs hart bekomen, dan moeten we wedergeboren worden. En dat nieuwe hart en leven buigt in een heilige vrees onder de toorn van God.

Daaruit klimt de bede op: Leer ons …. 

'Dagen tellen' dat wil zeggen: dagen waarin gebeden opgezonden worden tot de troon der genade. Zo bad Daniël drie maal 's daags met open vensters naar Jeruzalem en met een geopend hart naar de hemel. Zie, dát is nu een wijs hart. Een hart waarin de vreze Gods gevonden wordt, het beginsel van alle wijsheid.

Kom, hebben we zo'n hart? Een hart, gereinigd en geheiligd door het offer van Jezus Christus eenmaal aan het kruis geschied? Want als er Eén is, Die de sterkte van Gods toorn gedragen heeft en de verbolgenheid naardat Hii te vrezen is, dan is het wel de Heere Jezus.

Jonge lezer, gedenk aan je Schepper in de dagen van je jeugd, eer dat de kwade dagen komen en je zult zeggen: "lk heb geen lust in dezelve”.

Ouderen, gedenkt te sterven, want de dagen gaan inkorten. En waar de boom valt blijft hij eeuwig liggen. O mijn geliefde lezer, bedenk elke dag kan de laatste zijn en dan God ontmoeten...

Kinderen van God, het is hier een verdrukking van tien dagen. En aan het einde daarvan zingt de Kerk:

En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.

'Dagen tellen'. Maar mag er nu ook een aftellen zijn in een heimwee naar de eeuwigheid? Want daar wordt geen dag meer geteld. Daar is geen oud en nieuw jaar meer, maar daar zullen we eeuwig bij de Heere wezen!

Zo dan, vertroost elkander met deze woorden

Ds. J.J. Tanis
~~~~~~~~

Nacht en dag


Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent. (Genesis 32:26b)
Het leven van vader Jakob wordt gekenmerkt door nachtelijke Godsontmoetingen. Zo weten wij van de nacht bij Luz, waar de hemel voor hem geopend is en hij in de droom een ladder zag, waarlangs de engelen Gods op- en neerklommen. Daar heeft God beloofd met hem te zijn totdat hij terug zou komen om dit land te bewonen.

We kennen de nacht van Paddan-Aram, waarin hem de God van Bethel verscheen met het bevel om terug te keren naar het land van zijn maagschap.

Het bovenstaande tekstwoord brengt ons opnieuw in een nacht uit het leven van Jakob. De nacht aan het veer van de Jabbok. Kennen wij ook die nachten in ons leven, waarin de Heere
Zich met ons kwam te bemoeien? Immers, het eerste dat we gewaarworden als God in ons leven komt, is dat het nacht is, stikdonkere nacht. We zijn in Adam uit het licht gevallen en daarom in duistere diepten gekomen. En nu is er niets erger dan blind te zijn voor het licht, ja, ten diepste vijand te zijn van het licht. Gods Woord zegt ons dat we de duisternis liever hebben dan het licht. Maar weet – als het hier nooit licht wordt in mijn leven – dat een eeuwige duisternis wacht. ‘Aldaar zal wening zijn en knersing der tanden.’

O, smeek de Heere, nu uw stem nog niet is verstomd en de deur nog niet op het nachtslot is: ‘Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden, dat zij mij brengen tot de berg Uwer heiligheid en tot Uw woningen.’

Jakob heeft het licht door genade verkregen. Niet uit
verdienste of waardigheid. Zijn naam was zijn leven: hiellichter, bedrieger. Maar er stond boven zijn leven iets geschreven,
reeds opgetekend in de eeuwigheid, in het boek van Gods raadsbesluiten: ‘Jakob heb Ik liefgehad!’ Dat is nu de enige oorzaak en oorsprong van het licht in zijn nachtelijk bestaan. Wat een wonder als zo ons leven in God verklaard mag liggen!

Dat is tevens de enige troost voor dat in zichzelf arme Jakobsvolk, te midden van alle donkerheid en strijd. Heerlijke lichtstraal uit de hemel als het hen tegenklinkt: ‘Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd.’ Geloof maar gerust dat de strijd hevig geweest is tussen de Engel des HEEREN en Jakob in die nacht bij de Jabbok! De profeet Hosea zegt ons ervan: ‘Hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem.’ Een strijd op

leven en dood! Een strijd waarin Jakob Jakob moest verspelen. Want Jakob kon vanwege zijn verdorven natuur, ondanks alle genoten weldaden, niet verenigd worden met de Goddelijke zegen.

In deze nacht vindt de afrekening plaats. De ouden spraken vroeger wel over ‘onderhandeling’ en ‘afhandeling’. Hier moet blijken of de breuk met het oude leven van Jakob volkomen is. Of het waarheid in zijn ziel is: ‘Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte.’

Geliefde lezer, wanneer er nog een worteltje in mijn bestaan haakt aan de zonde en de wereld, is er geen plaats voor Gods lieve gunst en zalige gemeenschap. Hoe nodig is het die oude natuur volkomen af te sterven om in dat nieuwe, godzalige leven te wandelen. De belofte van Bethel wordt door strijd en sterven vervuld in Pniël. ‘Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.’ En dan ontvangt Jakob die eeuwigdurende zegen, een zegen

die zijn rijkdom ontleent aan een bevredigd recht. Want er is er Eén Die in het bijzonder geworsteld heeft om deze zegen: Jezus Christus. Jakob liet niet los en is niet losgelaten, omdat Christus los van God de Vader aan het kruishout is ondergegaan. ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood hadt moeten sterven.’ Omdat Christus in de nacht, de hellenacht uitgeroepen heeft: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ breekt er voor Jakob een dag aan. Een dag, waarvan de Kerk zingt:
 
Dit is de dag, de roem der dagen,
Die Isrels God geheiligd heeft;
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen Die ons blijdschap geeft.

En nu niet meer Jakob... maar Israël. Nu niet meer bedrieger... maar strijder Gods. ‘En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. En de zon rees hem op, als hij door Pnuël gegaan was.’

De Heere schenke ons, net als Jakob, bij aanvang en voortgang worstelingen aan de troon van Zijn genade, tot eer en heerlijkheid van God en zaligheid van onze ziel. De nachtsluiers mochten maar weggeslagen worden van over ons leven en de morgenglans der eeuwigheid mocht over ons opgaan. Dat schenke de Heere naar Zijn barmhartigheid en ontferming! 
Ds. J.J. Tanis
~~~~~~~~

Zuiderkerk
  • Zuiderkerk

    Schoutstraat 1
    4336 HN Middelburg
  • Kerkdiensten

    Zondagmorgen: 9.30u - 11.00u
    Zondagmiddag: 16.00u - 17.30u
Copyright © 2017   |   Gereformeerde Gemeente van Middelburg-Zuid.
Gemaakt door Desi@gn-GB.