zondagsbehandeling

Vragen bij Zondag 1


Lees zondag 1 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wanneer heb je troost nodig?
2. Ben jij wel eens verdrietig? Waarom?
3. Zoek in je Bijbeltje 2 Korinthe 7 vers 10 op. Welk verdriet (droefheid) wil de Heere hier troosten?
4. Koning Hizkía was ook eens verdrietig (Jes. 38:17). De Heere heeft hem toen getroost. Wat zei Hizkía toen? (Jes. 38:17b)
5. In Lukas 2 vers 25 tot en met 30 lezen we dat Simeon ‘de Vertroosting Israëls’ verwachtte. Wie werd daarmee bedoeld?
6. Wat betekent de Naam ‘Jezus’ ook al weer?
7. In antwoord 1 van de Catechismus lees je: ‘Die met Zijn dierbaar bloed’. Wat bedoelen we met ‘dierbaar’?
8. Wat gebeurde er toen de duivel ‘de genadeslag’ heeft gekregen? In welk vers van Genesis 3 was dit al voorzegd? 
9. Lees Matthéüs 10 vers 29. Niet alleen de haren van je hoofd zijn geteld, maar waar zorgt de Heere ook voor?
10. Welke drie dingen (stukken) moet je ‘weten’ om echt gelukkig (zalig) te leven en te sterven? Moet je het alleen maar weten met je hoofd (verstand)?
11. Welke zes woorden moeten we dus onthouden? 
12. Gaat het in het antwoord van de Catechismus alleen over de verlossing van onze ziel?
13. Welke Zondagen gaan over de ellende, welke over de verlossing en welke over de dankbaarheid?

Jongeren:
1. Welke verzen uit 1 Petrus 1 sluiten goed aan bij de inhoud van vraag 1 van de Catechismus?
2. Waarom wordt de troost uit vraag 1 ‘de enige troost’ genoemd?
3. Waarom is de troost die de wereld biedt ‘een schrale troost’?
4. Je hoort vaak: ‘De onderwijzer van de Catechismus stelt zich op het standpunt van het geloof.’ Wat bedoelen we daarmee?
5. Op welke manier merk je bij het antwoord van vraag 1 dat de opsteller van de Catechismus vanuit de zekerheid van het geloof spreekt?
6. De catechismuspreek is ook Woordverkondiging. Wat bedoelen we daarmee?(Denk aan de verwijsteksten.)
7. Wat bedoelen we met ‘de heerschappij van de duivel’? Lees hiervoor Matthéüs 4 vers 1 tot en met 
8. Hoe ervaar je de heerschappij van de duivel in je eigen leven? Geef ook eens een voorbeeld.
9. Welke betaling geldt dus alleen voor God?
10. Wat is een van de wezenlijke verschillen tussen het christendom en de islam? Hoe leg je dit uit aan een moslim?
11. Een echte christen is het eigendom van Christus. Welke gevolgen heeft dit voor het leven en sterven van een christen?
12. Kun je uitleggen waarom de drie stukken (zaken) in deze volgorde geleerd moeten worden?
13. Welk woord zit in het woord ‘verlossing’ en welke psalm wordt in de verklaring van Zondag 1 als voorbeeld genoemd?
14. Wat wordt bedoeld met de woorden ‘voorwerpelijk’ en ‘onderwerpelijk’ als het gaat om de verlossing door Christus?
15. Als je eenmaal zekerheid hebt van je aandeel aan Christus, twijfel je dan nooit meer?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 2


Lees zondag 2 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. We zeggen wel eens: ‘Er is veel ellende in de wereld.’ Wat bedoelen we daarmee? Kun je daar voorbeelden van noemen? 
2. Wat betekent het woord ‘ellende’ eigenlijk?
3. In een van de gelijkenissen gaat het ook over iemand, die naar een vreemd land ging en daar in de ellende terechtkwam (zie: Luk. 15). Wie bedoelen we met die man? Wat was zijn grootste ellende?
4. In vraag 3 gaat het niet over de ellende van andere mensen, maar over onze en jouw ellende. Wat is onze grootste ellende?
5. De wet van God wordt wel eens een spiegel genoemd. Waarom?
6. Lees (zing) Psalm 130 vers 1 maar eens. Wat heeft dit vers met vraag 3 te maken? Christus leert ons wat de hoofdsom (het belangrijkste) van de wet is (Matth. 22:36-40). Wat is volgens de Heere Jezus het eerste gebod? En wat is het tweede? Onder welk woord mag je wel een streep zetten, omdat het zo belangrijk is?
7. God wil dat wij Hem en onze naaste volmaakt liefhebben. Kunnen we dat? Zoek eens op: Romeinen 8 vers 7 en Titus 3 vers 3. Lees beide verzen hardop voor. Wie kon wél aan deze eis (bevel) van God voldoen?
8. Wat betekent ‘van nature’?
9. Waar komen pesten, uitschelden, spotten, ongehoorzaamheid vandaan, denk je?
10. Wat zijn de namen van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus ook al weer?
11. Hoe noemen we de drie doodsvijanden van een christen?
12. Welke twee mannen worden in de catechismusverklaring genoemd als voorbeelden van mensen die hun zonden leerden kennen?

Jongeren: 
1 Een bekend gezegde luidt: ‘Onze grootste ellende is, dat wij onze ellende niet kennen.’ Wat bedoelen we daarmee?
2 Wat bedoelen we hier met het woord ‘kennen’?
3. Welk deel van de drie stukken gaat mee tot ná dit leven?
4. Onze ellende is onze eigen schuld voor God; kun je dat uitleggen?
5. De wet is een hulpmiddel en geen heilsmiddel. Wat betekent dat?
6. Welke verwijstekst noemt de Heidelbergse Catechismus bij het antwoord op vraag 3?
7. Hoe vat de Heere Jezus de hele wet samen?
8. Bij de wetgeving op de Sinaï zegt de Heere: ‘Ik ben de Heere uw God.’ Wat heeft ons dat te zeggen?
9. De kennis van onze ellende begint niet bij het kruis van Golgotha. Wat bedoelen we daarmee?
10. Waarmee gaat Godskennis altijd gepaard?
11. De Heere Jezus zegt dat de twee geboden (tafels) aan elkaar gelijk zijn, namelijk liefde tot God en liefde tot de naaste. Maar God is toch belangrijker dan de naaste? Leg dat eens uit.

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 3


Lees zondag 3 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen: 
1. Waarom zijn wij op deze wereld? 
2. Wat waren de drie punten van de preek? 
3. Waarin bestaat het evenbeeld van God? 
4. Wat was de ongehoorzaamheid van Adam en Eva? 
5. Maar waarom krijgen wij de schuld van wat Adam en Eva gedaan hebben? Wij hebben het toch niet gedaan?
6. Waarom werd koning Belsazar veroordeeld? Welke koning uit Handelingen  liet zich als een god aanbidden en wat was het gevolg? 
7. Wij doen niet alleen zonden, maar we zijn ook zonde. Wat bedoelen we daarmee? Lees ook eens wat David zegt in Psalm 51 vers 7. 
8. Iets begeren begint vaak met je ogen. Waarom? Denk aan Eva bij de boom. Kun je een voorbeeld uit je eigen leven noemen? 
9. Zoek op en lees Johannes 3 vers 1 tot en met 9. Tegen wie spreekt de Heere Jezus hier? Waar wordt het werk van de Heilige Geest mee vergeleken? Wat moeten we dus altijd aan de Heere vragen?
 
Jongeren:
1. Als er een God van liefde is, waarom is er dan zoveel ellende op de wereld? Welk vers uit Prediker 7 spreekt andere taal? 
2. Wij kunnen de Bijbel en het wereldgebeuren alleen maar verstaan vanuit Genesis 1, 2 en 3. Leg dat eens uit. 
3. Wat bedoelen we met de uitdrukking ‘alleen de tralies van Gods genade behoeden ons voor het uitbreken in de zonde’? 
4. Wat verstaan we onder ‘erfzonde’? 
5. Is de mens wel ‘gans onbekwaam tot enig goed’? Is het dan verkeerd te zeggen dat mensen soms goede dingen doen voor een ander?
6. Waarom is de val in het paradijs méér dan een struikeling van Adam en Eva geweest? 
7. Wat zijn we door de zondeval verloren en wat voor gevolgen heeft dat volgens Efeze 2 vers 1? 
8. Zondag 3 geeft al enige opening op verlossing. Welk (voeg)woord wijst daar al op? 
9. Probeer met eigen woorden te zeggen wat de wedergeboorte is (Lees D.L., hfdst. III/IV, art. 12). Waarom is de wedergeboorte altijd een groot wonder?
10. We hebben licht van Boven nodig om onszelf te leren kennen. Wat bedoelen we daarmee en hoe komen we aan dit licht? 
11. Kun je aan vraag 7 ook een argument ontlenen om tegen abortus provocatus te zijn als het gaat om het ontstaan van menselijk leven?
12. Welke grote gevolgen heeft het als we niet meer uitgaan van de historische betrouwbaarheid van de Bijbel over schepping en zondeval?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 4


Lees zondag 4 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. God vraagt dat we al Zijn geboden helemaal volmaakt (helemaal goed) zullen houden. Is dat wel eerlijk? Dat kunnen we toch nooit?
2. Ken jij een ander woord voor ‘aangeboren zonden’?
3. Noem eens enkele ‘werkelijke zonden’ uit je eigen leven.
4. Welk voorbeeld staat er in de verklaring om duidelijk te maken dat we Gods goede gaven verkwist hebben?
5. Wat zijn tijdelijke straffen? Kun je enkele voorbeelden uit de Bijbel noemen?
6. Wat wordt er bedoeld met de eeuwige straf?
7. Weet jij wat ‘majesteitsschennis’ is? Wat bedoelen we als we zeggen dat ‘elke zonde Majesteitsschennis’ is?
8. Over welke zonde wordt gesproken in Johannes 16 vers 8 tot en met 11?
9. Zoek eens enkele verwijsteksten op die bij de antwoorden staan en lees ze eens voor.

Jongeren:
1. Waarom was de val van de mens geen ‘ongeluk’? (vr. en antw. 9)
2. De mens heeft zichzelf beroofd van al deze gaven. Wat wil dat zeggen? Welke gaven worden hier bedoeld?
3. Waarom kunnen we de duivel niet de schuld geven van onze val?
4. God kan de zonden onmogelijk door de vingers zien. Waarom niet?
5. Vaak wordt gezegd: ‘Maar God is toch liefde?’ Welk antwoord geven we hierop?
6. Welk onderscheid maken we als we spreken over de dood?
7. Lees Hebreeën 12 vers 5 tot en met 8. Wat is het verschil tussen straf en kastijding?
8. Het verbond tussen God en Adam wordt ook het werkverbond genoemd. Wat houdt dat in? 9. Ons idee van wat we rechtvaardig en onrechtvaardig vinden is door de geest van de tijd aangetast. Kun je daar vanuit de verklaring van de Catechismus enkele voorbeelden van geven?
10. Wat is het verschil tussen genade en gratie? 
11. Wat wordt er bedoeld met de uitdrukking: ‘Gods volk leert God recht en gerechtigheid toeschrijven’? Denk ook aan de moordenaar aan het kruis. Wat zei hij tegen Jezus?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 5


Lees zondag 5 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen: 
1. We hebben dus straf verdiend (vr. 12). Hoe kunnen we aan die straf ontkomen en weer door God in genade aangenomen worden? Probeer het antwoord eens met eigen woorden uit te leggen. 
2. ‘In generlei wijze’ (vr. 13). Wat betekent dat?
3. Waarom kan een dier of een engel niet voor onze zonden betalen? (vr. 14). Lees Hebreeën 10 vers 4 eens voor.
4. Waarom scheldt God de straf niet ‘gewoon’ kwijt?
5. Welke bekende reformator probeerde eerst zelf de schuld bij God te betalen? Hoe deed hij dat?
6. Wat is een middelaar? Ken je iemand in je omgeving die ook wel eens middelaar is?
7. Waarom moet de Middelaar Die ons kan verlossen ‘sterker zijn dan alle schepselen’?
8. Als de Heere in je leven komt, ga je graag naar de kerk. Welke vrouw ging ook al weer graag naar de akker om aren op te rapen? Hoe heette de man die ervoor zorgde dat er genoeg was om op te rapen?
9. Wanneer zoek je iets? Wie wordt er gezocht in vraag 15? Welke belofte staat er in Spreuken 8 vers 17?
 
Jongeren:
1. Onze Catechismus is in Zondag 5 als een kundig arts die eerst een duidelijke diagnose stelt voordat hij een medicijn voorschrijft. Wat bedoelen we hiermee? Denk ook eens aan ons spreekwoord: ‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.
2. Hoe komt het toch dat we zelf altijd maar weer willen betalen? Geloven we eigenlijk wel wat er in Romeinen 3 vers 12 staat?
3. Kun je uit je eigen leven voorbeelden noemen waaruit blijkt dat we God tevreden willen stellen?
4. In alle wereldgodsdiensten is er een vorm van zelfverlossing. Hoe wordt dat geprobeerd in de islam en in het jodendom?
5. Wat bedoelen we met de uitdrukking: ‘Minder zonden doen en groter zondaar worden’?
6. Aan welke vier eisen moet de Middelaar en Verlosser voldoen om aan Gods gerechtigheid te voldoen?
7. Welk vers uit Jesaja 9 laat zien dat de Messias God en mens in één persoon was?
8. De verklaring van deze Zondag eindigt met de tekst: ‘O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren …’ Zoek deze tekst eens op in Jesaja. In dit gedeelte staat ook dat we van de honger niet kunnen leven. Waar kunnen we dan alleen van leven? Zie ook Johannes 6 vers 22 en verder.

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 6


Lees zondag 6 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Welke drie punten worden er in de preek genoemd?
2. Wat zijn de twee ‘naturen’ van Christus?
3. Wij hebben straf verdiend en er moet voor onze zonden betaald worden. Dat wil God. Anders was God geen rechtvaardig God meer. Waarom kunnen wijzelf de schuld niet betalen (vr. 16)?
4. Waarom moet de Middelaar niet alleen een echt (waarachtig), rechtvaardig mens zijn maar ook echt God (vr. 17)?
5. Gelukkig, we kunnen gered worden. In vraag 18 komt het verlossende antwoord. Welke drie Namen van de Verlosser kom je hier tegen?
6. Deze Zaligmaker is door God aan ons gegeven. Aan welk woord kun je dit zien?
7. Wat betekent ‘Evangelie’?
8. Die Verlosser werd in het paradijs al aan Adam en Eva beloofd. Welk vers uit Genesis 3 bedoelen we? Hoe heet deze belofte?
9. Zoek Handelingen 2 vers 39 eens op in je Bijbeltje. Het gaat hier ook over kinderen. Heeft de Heere ook aan jou wel eens iets beloofd? Wat dan precies?
10. Wat zijn patriarchen? Kun je enkele namen noemen?
11. Jesaja wordt wel eens ‘de evangelist van het Oude Testament’ genoemd. Waarom?

Jongeren: 
1. Als het gaat over de betaling van onze schuld, dan is de waarde of positie van degene die betaalt van het allergrootste belang. Kun je dat aan de hand van een voorbeeld uit de verklaring van deze Zondag uitleggen?
2. In onze tijd wordt de Godheid van de Heere Jezus vaak ontkend, bijvoorbeeld door moslims en Jehova Getuigen. Waarom moet de Middelaar naast waarachtig en rechtvaardig mens ook waarachtig God zijn?
3. Geef eens enkele bewijzen uit de Bijbel dat de Heere Jezus God is.
4. Wat wil hier het woord ‘gerechtigheid’ zeggen?
5. In vraag 18 wordt eindelijk de Naam van deze Verlosser genoemd: ‘Onze Heere Jezus Christus’. Wat betekenen deze drie Namen?
6. In welke twee delen valt de verlossing uiteen?
7. Waarom zou de leer van de plaatsvervanging zo’n verzet oproepen?
8. Welke vier gaven ontvangen Gods kinderen door deze Middelaar?
9. Het antwoord van vraag 18 wijkt iets af van de oorspronkelijke tekst (1 Kor. 1:30). In welk opzicht? Wat wil de Heidelbergse Catechismus hiermee onderstrepen?
10. Welke verwijsteksten onder vraag en antwoord 19 verwijzen naar de patriarchen?
En welke naar de profeten?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 7


Lees zondag 7 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Waarom worden de zonden van Adam ons toegerekend? Het is onze schuld toch niet dat Adam ongehoorzaam is geweest?
2. Wat betekent het woord ‘verdoemd’ eigenlijk? Waarom is die vreselijke vloek eigenlijk een gebed?
3. Wat zijn de drie punten van de preek?
4. Wie zijn de twee Verbondshoofden?
5. Wat betekent het woord ‘inlijven’? Kunnen jullie enkele voorbeelden uit de natuur noemen om het duidelijk te maken?
6. Lees Hebreeën 5 vers 9. Welk ander woord voor ‘geloof’ wordt hier gebruikt? 
7. Vraag en antwoord 21. Wij gebruiken best vaak het woordje ‘geloof’. Bijvoorbeeld: 
‘Ik geloof dat hij morgen komt.’ Wat is het verschil met het woord ‘geloof’ uit vraag en antwoord 21?
8. Wie is de Werkmeester van het geloof? (antw. 21). Hoe kun jij dat ware geloof krijgen?
9. Uit welke drie dingen (kenmerken) bestaat het echte (ware) geloof volgens antwoord 21?
10. Over welke gelijkenis ging het vaak in de preek? Wat heb je hiervan geleerd? 
11. Wij kunnen de zaligheid niet verdienen door te bidden, in de Bijbel te lezen en naar de kerk te gaan. Wie heeft de zaligheid wel verdiend? Waarom moeten we toch bidden, lezen en naar de kerk gaan?

Jongeren:
1. Weten jullie het verschil tussen de alverzoening en de algemene verzoening?
2. ‘De mens gaat niet verloren, maar ligt verloren.’ Wat bedoel je met deze uitdrukking? 
3. ‘… al Zijn weldaden aannemen’. Kunnen jullie enkele van die weldaden noemen?
4. Zoek op: Jesaja 53 vers 11. Hoe wordt Christus hier genoemd? Op welke wijze zal Hij er velen rechtvaardig maken?
5. Hoe weet je nu of de Heere Jezus voor jou gekomen is?
6. Jullie zien in antwoord 21 de letters a tot en met f staan. Zoek bij elke letter één bijbehorende verwijstekst en vergelijk die met de verwoording uit de Catechismus.
7. Is het historisch geloof een ‘verkeerd’ geloof? Geef een voorbeeld van het wondergeloof.
8. Weten jullie wat de drie ‘sola’s’ van de Reformatie zijn? Waar kom je dit drietal tegen in antwoord 21?
9. Uit welke woorden blijkt in Zondag 7 dat het geloof een gave van God is? Lees 1 Johannes 3 vers 23. Hier lezen we over ‘een gebod’ om te geloven in de Naam van de Heere Jezus. Hoe moet je dit uitleggen?
10. Het geloof dat de Heere vraagt is altijd het ‘bedelaarsgeloof’. Wat bedoelen we hiermee? Hoe komt dit tot uitdrukking in de gelijkenis van de verloren zoon?
11. Lees vraag en antwoord 22. Twee woorden worden hier genoemd: beloven en geloven. Wat hebben deze twee woorden met elkaar te maken?
12. Waaruit blijkt uit het leven van Abraham (de vader der gelovigen) dat gelovig vertrouwen nooit een prestatie van de mens kan zijn? (Gen. 22:1-3)

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 8


Lees zondag 8 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Jullie horen heel vaak spreken over de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zijn er dan drie Goden? Joodse kinderen moesten al heel jong Deuteronomium 6 vers 4 leren. Lees deze tekst eens voor. Wat betekent het woordje ‘enig’ in dit verband?
2. Zoek eens op: 1 Johannes 5 vers 7. Wie wordt er bedoeld met ‘het Woord’?
3. Achter de psalmen vinden we de Avondzang. Welk vers heeft alles met deze Zondag te maken?
4. Lees Matthéüs 3 vers 13 tot en met 17 eens. Kom je hier ook de drie Personen van het goddelijke Wezen tegen? Hoe dan?
5. Achter in je Bijbeltje staat onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Lees de opschriften eens van de eerste tien artikelen. Welke twee artikelen hebben te maken met het onderwerp van Zondag 8?
6. Welke twee geloofsbelijdenissen worden er in de verklaring genoemd?
7. Weet je nog wat het kind op het strand deed waarover in de preek werd verteld? Wat wilde Augustinus ons hiermee leren?
8. Toen je gedoopt bent, hoorde je ook de Namen van een drie-enig God. Welke drie Namen werden genoemd bij het doopvont? En wat betekent dit 

Jongeren:
1. De Twaalf Artikelen beginnen heel vaak met de woorden: ‘Ik geloof’. Welk geloof wordt hier bedoeld?
2. Kun je het verschil uitleggen tussen geloofsinhoud en geloofsinstrument? Welk voorbeeld wordt er in de preek gebruikt?
3. In vraag 24 lezen we over God de Vader en onze schepping. Jezus was toch ook bij de schepping betrokken? (Joh. 1:3) Hoe leg je dit uit?
4. Zoek in je Bijbeltje de Geloofsbelijdenis van Athanasius eens op. In welke stad was Athanasius bisschop en in welk jaar is deze belijdenis opgesteld? Neem deze artikelen eens door. Tegen wie zijn deze artikelen vooral geschreven?
Lees artikel 44. Waaruit blijkt dat de kerk de belijdenis van de Drie-eenheid heel ernstig nam?
5. Wat heeft deze leer te zeggen in ons contact met de Jehova Getuigen? 
6. Waarom wordt er in vraag 25 niet gevraagd naar het Godsbewijs? Kun je twee redenen noemen?
7. Waarom kun je het werk van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest niet losmaken van elkaar?
8. Welk artikel uit onze Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat uitvoeriger op de leer van de Drie-eenheid in?
9. Noem minstens drie voorbeelden waarbij tijdens de zondagse eredienst de belijdenis van de Drie-eenheid aan de orde komt.

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 9


Lees zondag 9 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat is ‘scheppen’? Leer Genesis 1 vers 1 uit je hoofd!
2. Welk zinnetje lezen we in Genesis 1 aan het einde van elke scheppingsdag?
3. God onderhoudt en regeert de wereld. Zoek twee verwijsteksten op die hierover gaan en lees ze voor.
4. In de verklaring van de Catechismus lezen we over de ‘herschepping’. Wat wordt daarmee bedoeld? 
Waarom is dit net zo’n groot wonder als de schepping?
5. Is God ook jouw Vader? Lees Johannes 1 vers 12.
6. God zorgt voor lichaam en ziel. Hoe staat dat in antwoord 26? Uit welke woorden kun je opmaken dat hier een gelovige, een kind van God, aan het woord is?
7. Wat wordt er bedoeld met ‘jammerdal’? Kan tegenspoed ook nuttig zijn? Zijn er dingen in je leven die je moeilijk vindt?
8. Wie wordt er bedoeld met ‘de lijdende Borg’? 
9. Lees Jesaja 46 vers 4. Over wie gaat het hier? Hoe vaak komt het woordje ‘Ik’ in deze tekst voor? Waar blijkt uit deze tekst de zorg van de Heere?
10. De Heere kan en wil voor ons zorgen. Zoek Matthéüs 6 vers 33 eens op. Wat moet je eerst zoeken? Wat zoeken wij vaak? Wat belooft de Heere in deze tekst? Wat belooft de Heere in onze doop?
11. Zijn alle kinderen schaapjes van de Goede Herder? Ken je het kindergebed: 
‘Laat mij van die grote kudde ook een heel klein schaapje zijn?’ Hoe word je een schaap van de Goede Herder?
12. Welk vers uit de berijmde Psalm 25 past goed bij Zondag 9?

Jongeren:
1. Hoe kun je aantonen, dat bij de schepping van de wereld, zowel de Vader als de Zoon en de Heilige Geest betrokken waren?
2. Lees artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Over welk gedeelte van antwoord 26 handelt dit artikel?
3. Noem enkele fundamentele verschillen tussen de scheppingsleer en de evolutieleer. Denk ook aan de visie op mens en dier. Kun je enkele voorbeelden noemen uit de actualiteit en het publieke debat, waaruit blijkt dat er steeds meer een verschuiving optreedt in de visie op mens en dier?
4. God als Rechter of God als Vader. Waar hangt het van af of Gods kinderen  de Vadernaam op de lippen durven nemen?
5. Lees Romeinen 8 vers 15. Welke tegenstelling lezen we hier? Uit welk woord blijkt, dat het enkel genade is? Bij welke van de twee behoor jij? 
6. Wat is het verschil tussen onbezorgd zijn en zorgeloos zijn? 
7. God zorgt voor Zijn kinderen. Betekent het dat ze alles krijgen wat ze willen hebben?
8. In antwoord 26 komt ook het probleem van het lijden aan de orde. Waar komt het lijden vandaan? Wat wordt bedoeld met het ‘kwaad’ dat God je toeschikt? 
9. Waarom zal de leer van Gods voorzienigheid zoveel verzet bij de mensen  oproepen?
10. Waarom kan en wil God het kwade in het leven van Zijn kinderen ten beste keren?
11. Hoe is de almachtige God in drieërlei opzicht Vader?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij zondag 10


Lees zondag ..... door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat betekent het woord ‘Voorzienigheid’? Lees Genesis 22 vers 14. Over welke geschiedenis gaat het hier? Was het toevallig dat Abraham een ram vond? Welk woord heeft dus met deze Zondag te maken?
2. Wat zijn de drie punten (b’s) van de preek?
3. ‘Toeval bestaat niet!’ Wat betekent dat? Toch worden de woorden ‘bij geval’wel gebruikt (ook in de Bijbel). Lees Lukas 10 vers 31. Hoe staat het daar? Wat moeten we toch altijd bedenken?
4. De Heere onderhoudt alle dingen. Kun je dit uitleggen?
5. Zoek bij elke letter eens een verwijstekst op. Misschien kun je bij de letters
c tot en met e wel geschiedenissen uit de Bijbel bedenken.
6. Is ziekte een straf van God?
7. Je leest drie woorden in antwoord 28: geduld, dankbaarheid en goed toevoorzicht.
Weet je wat deze woorden betekenen?
8. Wat is volgens Kohlbrugge het dankbaarste schepsel? Waarom?
9. Misschien ben je wel eens bang voor andere mensen of kinderen, omdat ze een grote mond hebben of heel sterk zijn. Lees het laatste regeltje van antwoord 28 eens voor. Waar moeten we dus altijd aan denken?
10. Hoe vaak wordt in Zondag 10 over Gods hand gesproken? Lees het nog eens voor. Heeft God dan handen? Wat bedoelen we daar dan mee?
11. Lees Romeinen 8 vers 37 tot en met 39. Wat kan er met een kind van God nooit gebeuren?

Jongeren:
1. Welke twee onmededeelbare eigenschappen worden er genoemd bij het begin van antwoord 27? Lees Handelingen 17 vers 25. Wie spreekt hier? Bij welke gelegenheid worden deze woorden gezegd? Waarom was dat nieuw voor de luisteraars? Hoe zou men er nu op reageren?
2. Wat zijn de drie werken van Gods voorzienigheid?
3. Geef voorbeelden van het verkeerde gebruik van het woord ‘voorzienigheid’.
4. De wereld wordt wel eens voorgesteld als een mechanisme, dat volgens natuurwetten verloopt. Waarom is dit onjuist? Kun je voorbeelden uit de Bijbel noemen, waarbij ‘natuurwetten’ doorbroken worden?
5. Toeval als noodlot bestaat niet. Je kunt wel zeggen: ‘Toeval is iets wat je toevalt’, namelijk van de Heere en dan is het vol troost. Welke zaken worden genoemd die ons uit de Vaderlijke hand van de Heere toekomen? Zien Gods kinderen hier altijd de Vaderlijk hand in? Geef enkele voorbeelden uit de Bijbel.
6. Leidt voorspoed altijd tot dankbaarheid? En hoe is dat met tegenspoed? 7. Wat is een kenmerk van echte dankbaarheid?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij zondag 11


Lees zondag 11 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Weten jullie nog de punten van de preek? Welk hoofdstuk uit de Bijbel werd gelezen? Waarom dit hoofdstuk, denk je?
2. Kennen jullie nog andere namen uit de Bijbel die dezelfde betekenis hebben als de Naam Jezus? Wat is natuurlijk het grote verschil tussen deze mensen en de Heere Jezus?
3. Wat is het verschil tussen onze namen en de Naam Jezus?
4. Wat is zalig maken?
5. Leer Handelingen 4 vers 12 uit je hoofd. We noemen dit wel een kerntekst. Wat zouden we hiermee bedoelen?
6. Een andere naam voor Zaligmaker is Redder. Hij brengt van het grootste kwaad tot het hoogste goed. Wat is (voor jou) het grootste kwaad? Wat is (voor jou) het hoogste goed?
7. Wat zegt Paulus in Filippenzen 2 vers 10 tot en met 11 over de Heere Jezus?
8. Als de Heere in het hart gaat werken, gaan er eigenlijk drie werken. Welke drie zijn dat?
9. Eens brachten de moeders de kinderen tot Jezus. Waarom deden ze dat? Kun je nog tot de Heere Jezus gebracht worden? Kun je tegenwoordig ook  nog naar de Heere Jezus toe gaan?
10. Lees antwoord 30. Wat is dus nodig om de Heere Jezus in je hart te ontvangen? Wat betekent dat dan?
11. Ezau zei: ‘Ik heb veel.’ Jakob zei: ‘Ik heb alles.’ Wat bedoelde Ezau met ‘veel’? Wat bedoelde Jakob met ‘alles’? Wat is voor jou het belangrijkste in het leven?

Jongeren:
1. Wat betekent de Naam Jezus? Geef eens een ander woord voor ‘Zaligmaker’. Lees de kanttekening bij het gedeelte van Matthéüs 1 vers 21.
2. In antwoord 29 spreekt het geloof. Wat bedoelen we hiermee? Is Jezus nu een Zaligmaker voor ‘gelovigen’ of voor ‘zondaren’? Kun je dit uitleggen? 
3. Je hoort wel eens de uitdrukking: ‘De Heere Jezus is geen halve, maar een hele Zaligmaker.’ Wat bedoelen we hiermee?
4. Jozua, de opvolger van Mozes, wordt wel een type van Christus genoemd. Kunnen jullie een aantal overeenkomsten en een aantal verschillen noemen?
5. Je kunt ook de zaligheid en welvaart bij de heiligen, jezelf of ergens anders zoeken. Geef van elk van de drie een voorbeeld.
6. Waarom is het zo erg als we in Hem niet een volkomen Zaligmaker zien?
7. Ongerechtigheid is vreselijk, maar eigengerechtigheid ook. Wat bedoelen we met dit laatste?
8. Wat bedoelen we met de uitdrukking: we proberen de zaligheid te verkrijgen vanuit het werkverbond?
9. Wanneer ga je de zaligheid bij de Heere Jezus zoeken?
10. Farao en de verloren zoon zeiden allebei: ‘Ik heb gezondigd.’ Ze zeiden hetzelfde. Toch was er verschil in hun belijdenis. Welk verschil?
11. Lees Galaten 5 vers 4. Is dat geen tegenstelling? We moeten toch zo goed mogelijk de wet houden om zalig te worden?
12. De ware gelovigen hebben in Christus alles wat tot hun zaligheid nodig is. Welke weldaden hebben ze dan in Hem?
13. Wat is het kenmerkende verschil tussen het christendom en de andere wereldgodsdiensten?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 12


Lees zondag 12 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen: 
1. Wat waren de drie punten van de preek?
2. Wat betekent de Naam Christus? Hoe wordt Hij in het Oude Testament genoemd?
3. Waarmee is Christus gezalfd? Tot welke drie ambten is Christus gezalfd?
4. Wie werden er eens door Samuël gezalfd? Waarmee?
5. Zoek Psalm 133 eens op. Wie werd daar gezalfd en waarmee?
6. Waar werd de naam ‘christen’ voor het eerst gegeven? Zoek het vers eens op in Handelingen 11.
7. ‘Christen’ was eerst een scheldnaam en later werd het een erenaam. Ben jij wel eens uitgescholden omdat je naar de kerk ging of omdat je bad? Wat deed je toen?
8. Ben je al een echte christen als je gedoopt bent, of als je naar de kerk gaat en in je Bijbeltje leest? Probeer het eens met eigen woorden te zeggen.
9. Wat was het werk van een priester? Waarom wordt de Heere Jezus een Priester genoemd?
 
Jongeren: 
1. Wanneer is Christus gezalfd? (Spr. 8) 
2. Welke twee dingen worden met de zalving aangeduid?
3. Wat betekent in vraag 31 het woord ‘verordineren’?
4. Het Nieuwe en het Oude Testament zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Lees Hebreeën 1 vers 9 eens? Welke psalm wordt hier geciteerd?
5. We lezen in vraag 31: ‘… Die ons de verborgen raad en wil Gods van onze
verlossing volkomen geopenbaard heeft …’ Naar welke tekst wordt hier
verwezen? Wat maakt dit Schriftgedeelte ons duidelijk?
6. Lees vraag 32. Welke vier vruchten vloeien hier voort uit het lidmaatschap
van Christus?
7. Waaruit blijkt in Johannes 4 vers 16 tot en met 26 dat Christus Profeet is?
8. Lees Efeze 4 vers 12. Met welk doel heeft God de ambten aan Zijn Kerk gegeven?
9. Hoe zien wij de drie ambten van Christus ook terug in de kerkelijke ambten?
10. Hoe komt het Koninklijk ambt van Christus tot uiting?
11. Op welke wijze worden Gods kinderen de zalving van Christus deelachtig?
Probeer dit aan de hand van een voorbeeld uit te leggen.
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
 
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 13


Lees zondag 13 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Lees Johannes 1 vers 14 eens voor. Wat is het verschil tussen een ‘eniggeboren’
zoon en een ‘eerstgeboren’ zoon?
2. Jij bent een kind van je vader en moeder. Hoe word je een kind van God?
3. Welke twee naturen heeft de Heere Jezus? Was Hij ook op aarde God? Kun je daar voorbeelden uit de Bijbel bij noemen?
4. Christus is de eeuwige Zoon van God, maar Hij is toch geboren in de kribbe van Bethlehem? Kun je dit uitleggen?
5. Als Jezus voor Kajafas staat, geeft Hij toe dat Hij de Zoon van God is. Hoe noemt Kajafas dit? En wat deed hij toen hij dit hoorde?
6. Het gaat in vraag 34 over ‘onze Heere’. Welke heer dienen we van nature?
7. Wanneer kunnen we alleen oprecht zeggen: Jezus is onze Heere? (1 Kor. 12:3)
8. Kijk eens naar de vragen 1 en 34. Wat valt je op? Waarmee heeft de Heere Zijn kinderen gekocht?
9. Wat betekent: ‘dierbaar’ bloed? Ken je een geschiedenis uit het Oude Testament waarbij het bloed je leven kon redden?
 
Jongeren:
1. Kun je aan de hand van de verwijsteksten duidelijk maken dat Christus er al ‘van eeuwigheid af’ geweest is?
2. Hoe komt het dat we wel vaak spreken over de Heere en niet over onze Heere?
Mogen we dit normaal vinden? Verklaar je antwoord.
3. Noem eens enkele voorbeelden uit de Schrift waarin Christus de Zoon van God genoemd wordt.
4. Welke drie verschillen noemt de verklaring tussen de Twaalf Artikelen en de geloofsbelijdenis van Nicea? Waarom dit verschil?
5. ‘Wij zijn uit genade tot kinderen Gods aangenomen …!’ Welke woorden
ontbreken hier? Waarom zijn deze woorden fundamenteel?
6. Wat is de enige Rustgrond voor Gods kinderen?
7. Wat wil het zeggen het eigendom van Christus te zijn? (1 Kor. 3:23)
8. Lees Johannes 8 vers 36. Wanneer zijn we waarlijk vrij? Wanneer hebben zonde en duivel geen macht meer in het leven van Gods kinderen?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 14


Lees zondag 14 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Hoe wordt de geloofsbelijdenis ook wel genoemd?
2. Welke twee naturen heeft de Heere Jezus?
3. Wie is de moeder van de Heere Jezus? Was Jozef de vader van de Heere Jezus? Lees vraag 35 nog eens.
4. Waarom moest de Heere Jezus echt mens zijn? Kunnen jullie voorbeelden noemen, waaruit blijkt dat de Heere Jezus echt mens was? Wat was het grote verschil met andere mensen? 
5. De Heere Jezus is geboren uit de maagd Maria. Zoek eens twee verwijsteksten
op waarin je dit kunt vinden.
6. De Heere Jezus is het ‘ware zaad Davids’. Wat bedoelen we met deze woorden?
7. Heeft de Heere Jezus alleen aan het kruis geleden? Of ook al eerder? Wat is het verschil tussen onze geboorte en de geboorte van de Heere Jezus?
8. Wat betekent het kerstfeest voor jou?
9. Er wordt in de verklaring steeds gesproken over ‘de Middelaar’. Wat is een middelaar? Wie is ‘de Middelaar’? Waarom wordt Hij zo genoemd?
10. De Heere Jezus is ook waarachtig God. Kun je daar voorbeelden van vinden in de Bijbel?
11. Lees Psalm 32 vers 1 eens voor. Wat betekent het woord ‘bedekt’? Wie kan alleen onze zonden vergeven en bedekken? Weet je ook wat erfzonde is?
 
Jongeren: 
1. De Godheid van Jezus is altijd een aangevochten zaak geweest. Wie loochenden
de Godheid van Jezus vroeger? Wie in deze tijd? Lees 1 Johannes 5 vers 20.
2. Waarom is het voor de zaligheid van de Kerk nodig, dat Jezus waarachtig en eeuwig God en waarachtig, rechtvaardig mens is?
3. Hoe werkt een drie-enig God samen in de verlossing van de mens?
4. Zoek Romeinen 9 vers 5 op en lees de kanttekening bij dit gedeelte. Wat heeft dat ons te zeggen?
5. Vanaf welk moment was de Heere Jezus Middelaar? Waarom moest dat?
6. In antwoord 35 wordt over drie dingen gesproken: a. over de vervulling van de profetie, b. over de vernedering van de Borg en c. over de betaling van de Borg. Met welke bewoordingen spreekt de Catechismus hierover?
7. De geboorte van Christus, als het Zaad van David, heeft (menselijk gezien) wel eens aan een zijden draad gehangen. Kun je daar voorbeelden van noemen?
8. Lees vraag en antwoord 36. Je hoort wel eens spreken over ‘de bedekkende
gerechtigheid van Christus’. Probeer dit eens met eigen woorden te zeggen aan de hand van antwoord 36. Zoek er ook enkele verwijsteksten bij.
9. Ook in vraag 36 vraagt de Catechismus naar het nut van de heilige ontvangenis
en geboorte van Christus. Het nut voor jou persoonlijk. Kun je daar iets van vertellen?
10. Moderne theologen ontkennen vaak dat de Heere Jezus uit een maagd geboren is. Welke grote gevolgen heeft deze opvatting?
11. Welke lering kunnen we trekken uit de manier waarop Jozef en Maria met elkaar omgingen voordat ze gehuwd waren?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 15


Lees zondag 15 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
 
1. Wat is er op Goede Vrijdag gebeurd? Waarom wordt die dag een Goede Vrijdag genoemd? 
2. Zoek Jesaja 53 vers 4 eens op. Wat heeft de Heere daar ‘op Zich genomen’ en wat heeft Hij daar ‘gedragen’? Wat dachten de mensen toen ze Jezus zagen lijden? 
3. De Heere Jezus heeft ‘aan lichaam en ziel’ geleden. Kunnen jullie hier voorbeelden
van geven? Waarom was het lijden naar de ziel zo verschrikkelijk?
 4. Lees antwoord 37. Wat is een ‘zoenoffer’? Zoek Efeze 5 vers 2 eens op. Welk woord staat hier in plaats van zoenoffer? Aan welk offerdier denken we hier vooral? Welk groot wonder lezen we verder in dit vers? 
5. Welke twee namen komen er in de Twaalf Artikelen voor? 
6. Lees Psalm 69 vers 5. Waarom slaat dit vers op de Heere Jezus? 
7. Waarvan verlost de Heere Jezus door Zijn lijden? Wat verwierf Hij door Zijn lijden? 
8. Lees Johannes 18 vers 38. Wat zei Pilatus tegen de Heere Jezus? Wat zei Pilatus tegen de Joden? Wat had Pilatus moeten doen? 
9. Waarom moest de Heere Jezus aan het kruis sterven? Wie werden er vroeger ook wel gekruisigd? Moet je medelijden met de Heere Jezus hebben? De Heere Jezus was geen martelaar. Kun je dat uitleggen?
10. In het dankgebed na jouw doop is er voor je gebeden. Zoek het zinnetje dat ik bedoel eens op uit het doopformulier en lees het eens voor. 

Jongeren:
1. Noem de trappen van Christus’ vernedering en de trappen van Zijn verhoging.
2. ‘Geleden onder Pontius Pilatus’. Waarom behoort de geboorte van Jezus ook tot de trappen van Zijn vernedering?
3. Lees 1 Petrus 2 vers 24. Welk vers uit Jesaja 53 past hierbij? Lees de kanttekeningbij dit vers. Waar komt deze zin voor: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven’? Wat betekenen deze woorden voor jou persoonlijk?
4. Christus heeft de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen. Wat wordt hiermee bedoeld? Wat wordt hier niet mee bedoeld? Lees Dordtse Leerregels hoofdstuk II, paragraaf 3 en 8.
5. Zoek 1 Korinthe 5 vers 7 eens op. Hoe wordt Christus hier genoemd? Waarom wordt Hij zo genoemd? Wat houdt het volgen van Christus in volgens dit vers?
6. Waarom was het nodig dat Christus door een aardse rechter onschuldig verklaard werd? Hoe kan het dan zijn, dat Hij door God ‘schuldig’ verklaard werd?
7. 2 Korinthe 5 vers 21 is een kerntekst. Wat betekent ‘Hij is zonde voor ons gemaakt’? Welke onuitsprekelijke troost ligt er in dit vers? Heb je wel eens gehoord van ‘de vrolijke ruil’, waar Maarten Luther zo door getroost werd?
8. De Rechter van hemel en aarde moet de zonden straffen. Waarom? Hij straft de zonden echter niet twee keer. Wat bedoelen we daarmee? 
9. Lees Galaten 3 vers 13. Naar welk gedeelte uit het Oude Testament verwijst deze tekst? Hoe zien we hier de afschuwelijkheid van onze zonden? 
10. De zonde van ongeloof wordt de grootste zonde genoemd. Kun je dit uitleggen in het licht van de algenoegzaamheid van Christus’ kruisverdienste? 

  ~  Pilatus zei: ‘Wat moet ik met Jezus doen?’ Wat zeg jij van Hem?  ~
 
Bron: Nodig te  weten,  preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 16


Lees zondag 16 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat waren de punten van de preek?
2. Over welk artikel van de geloofsbelijdenis gaat het in Zondag 16?
3. Lezen jullie Genesis 2 vers 17 eens voor. Wat was de straf op de ongehoorzaamheid
van Adam en Eva? Waarom geldt dit voor ons allemaal? Wie alleen kon het bij God weer goedmaken? Wat moest er dus gebeuren?
4. Welke twee mensen uit de Bijbel zijn niet gestorven? Wat staat er over hun levenseinde in de Bijbel?
5. Waaruit bleek dat de Heere Jezus echt gestorven was?
6. Weten jullie wat cremeren is? Waarom willen christenen begraven worden? Waarom is de Heere Jezus begraven? (antw. 41)
7. Waarom behoeven kinderen van God niet bang te zijn om te sterven? Sterven is dan erven! Wat is erven? Wat erven ze dan? Wat zullen ze dan nooit meer doen? Ben jij bang om te sterven? Denk je daar wel eens aan? Wat doe je dan?
8. Zoek Romeinen 6 vers 6 eens op. Wie wordt er ook gekruisigd? Hoe wordt dit ook wel genoemd? De ‘oude mens’ ben ik, zoals ik ben in Adam. In wie zijn mensen een ‘nieuwe mens’?
9. Wat zijn ‘de boze lusten van het vlees’? Hoe kun je die alleen maar overwinnen?
10. Wij hebben de hel verdiend. De Heere Jezus heeft de hemel verdiend voor allen die in Hem geloven zullen. Zij behoeven niet bang meer te zijn voor de hel. Het heeft de Heere Jezus veel gekost. Dat lees je in antwoord 44. Noem eens een aantal zaken? Zoek er ook enkele verwijsteksten bij.
11. Wat is ‘aanvechting’? (antw. 44)
12. Zoek de verwijsteksten eens op onder vraag en antwoord 44.
 
Jongeren:
1. ‘Aan Gods gerechtigheid moet genoegdoening geschonken worden.’ Zeg
dit eens met eigen woorden? Wat zegt antwoord 40 hierover?
2. Welke drie ‘soorten dood’ onderscheiden we wel? Wat bedoelen we ermee?
3. Waarom kan God de zonde niet door de vingers zien? Welke troost geeft het Troostboek ons vanuit Hebreeën 2 vers 14 en 15? Waarom moest Jezus dus de dood in?
4. ‘Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest …’ (Jes. 53:9). Wie wordt hier bedoeld
met ‘de rijke’?
5. Het aantal crematiegevallen stijgt onrustbarend, ook onder ‘christenen’.Wat zijn de argumenten voor cremeren? Welke argumenten kun je aanvoeren tegen cremeren?
6. Een begraafplaats wordt ook wel een dodenakker genoemd. Hoe moeten
we dit zien in het licht van 1 Korinthe 15?
7. De dood wordt wel ‘de laatste vijand’ genoemd. Waarom? Welke andere vijanden zijn er dan nog meer? Was het voor Paulus ook de laatste vijand? Lees Filippenzen 1 vers 23. Waar verlangt Paulus naar? Wat betekent het woord ‘ontbonden’?
8. Is de dood van een christen een straf van God?
9. Hoe merk je dat de oude mens gekruisigd wordt? Wat betekent ‘een stervend leven leiden’?
10. Lees antwoord 43. Als je met Christus gekruisigd bent, heb je dan geen last meer van de boze lusten van het vlees? Welk woord is hier van belang?
11. Wat betekent het dat wij onszelf tot een dankoffer der dankbaarheid opofferen?
Is dit offer een voorwaarde of een vrucht van de rechtvaardigmaking? 
12. De realiteit van de hel wordt steeds meer ontkend. Ook de prediking van het oordeel staat ter discussie. Kun je vanuit de Schrift aantonen dat er wel degelijk over oordeel, hel en straf gepreekt moet worden?
 
Bron: Nodig te weten, preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 17


Lees zondag 17 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Hoe heet het feest waarop we de opstanding van Christus herdenken? Waarom vieren de Joden de sabbat? Welke dag is dat? Waarom vieren christenen de zondag? Welke dag van de week is dat?
2. Wat zijn de trappen van Zijn vernedering? Wat zijn de trappen van Zijn verhoging?
3. Uit hoeveel delen bestaat het antwoord van vraag 45? Zoek bij elk deel een verwijstekst.
4. Lees Lukas 24 vers 1 tot en met 12 eens. Wat zeiden de engelen? Wat waren de discipelen en vrouwen helemaal vergeten?
5. Noemen jullie eens een aantal voorbeelden van mensen/kinderen die werden opgewekt?
6. Waarom moest de Heere Jezus uit de doden opstaan?
7. Je bent gedoopt! Dat is een voorrecht. Er staat ook in het doopformulier: ‘De doop verplicht (jou) tot een nieuwe gehoorzaamheid.’ Wat betekent dat? Kunnen wij dat in eigen kracht? Wat zegt antwoord 45b hierover?
8. In Galaten 5 lezen we over de vruchten van het vlees en de vruchten van de Geest. In welk vers lees je over de vruchten van het vlees? Welke zijn dat? Wat zijn de vruchten van de Geest? Wat bedoelen we met ‘vruchten’?
9. Denk jij wel eens aan de vragen: ‘Hoe krijg ik een nieuw hart; hoe moet ik bekeerd worden en hoe moet ik leven tot eer van de Heere?’ Waar kun je het antwoord vinden?
10. Weet jij wat een ‘pand’ is? Aan het eind van antwoord 45 gaat het ook over een pand. Wat mogen de kinderen van God zeker weten? Waarom?
11. Wat is de hemel? Waarom wordt het een zalige opstanding genoemd?
 
Jongeren: 
1. Vraag 45 begint weer heel persoonlijk. Wat betekent voor jou de opstanding van Christus? Of mag deze vraag alleen aan je gesteld worden als je ‘bekeerd’ bent?
2. Zoek artikel 20 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis eens op. Wat staat hier over de opstanding van Christus?
3. Jezus is opgewekt en Hij is opgestaan. Welk verschil beluister je in deze woorden? Is dit een tegenstelling?
4. De Heere Jezus heeft door Zijn dood de gerechtigheid ‘verworven’. Door Zijn opstanding gaat Hij deze gerechtigheid ‘deelachtig maken’. Wat is ‘gerechtigheid’? Wat bedoelen we met verwerven en deelachtig maken? Hoe gaat dat in zijn werk?
5. Is het voor jou ook een vraag: ‘Hoe kom ik tot het heil en hoe word ik met God verzoend?’
 
Bron: Nodig te  weten,  preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 18


Lees zondag 18 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Waar denken we aan op Hemelvaartsdag? Hebben alle mensen gezien dat Christus opgevaren is naar de hemel? (antw. 46) En hoe zal dat zijn bij de wederkomst van Christus?
2. Wat zijn de drie punten van de preek?
3. Hoeveel dagen liggen er tussen Pasen en Hemelvaartsdag? Dat is een leertijd voor de discipelen geweest. Wat bedoelen we daarmee?
4. Wat zeiden de engelen tegen de discipelen, nadat Jezus naar de hemel gegaan was? Zouden ze daar blij mee geweest zijn? En jij?
5. Lees antwoord 47. Welke twee naturen heeft Christus? De hemel is ver weg. Kan  de Heere Jezus ons nog wel horen, nadat Hij naar de hemel is gevaren?
6. Zoek Johannes 14 vers 18 eens op. Wat zegt Jezus daar tegen Zijn discipelen? Wat Zijn wezen? Heeft deze tekst ook iets met Pinksteren te maken?
7. Vraag en antwoord 48 zijn erg moeilijk te ‘begrijpen’. Waarom staat 'begrijpe'n tussen aanhalingstekens? Waarom staat deze vraag in de Catechismus?
8. Vraag en antwoord 49. Geef eens een andere naam voor ‘Voorspreker’.Heeft iemand voor jou wel eens een goed woordje gedaan? Waarom kan en mag Christus voor Zijn gemeente pleiten bij Zijn Vader?
9. Welk voorbeeld wordt in de verklaring genoemd om het beeld van ‘pand en   tegenpand’ duidelijk te maken?
10. Welk werk doet de Heere Jezus nog meer in de hemel?
11. Naar Zijn Godheid is de Heere alomtegenwoordig en ook alwetend. Wat betekenen deze woorden? Wat betekent het als je stiekem iets doet wat niet mag? Ben je ook wel eens blij dat de Heere alomtegenwoordig is? Ben jeook wel eens blij dat de Heere alwetend is? Waarom?

Jongeren:
1. In antwoord 46 staat dat Jezus opgeheven is in plaats van opgevaren. Welke betekenis heeft dit? Wat is de troost van de hemelvaart van Christus voor Gods Kerk?
2. Waarom staat er met nadruk dat Christus voor de ogen van de discipelen is opgevaren?
3. Hemelvaart wordt wel de kroningsdag van Christus genoemd. Waarom? Welk vers uit Psalm 68 past goed bij dit heilsfeit?
4. De kerk verlangt (als het goed is) naar de wederkomst van Christus. Hoe komt het dat dit verlangen niet altijd levend is? Hoe is dat bij jou?
5. Welke belofte wordt in vraag 47 bedoeld?
6. Op welke wijze kunnen we de ‘nabijheid’ van de Heere ervaren? Kun je hier Bijbelse voorbeelden van geven?
7. Lees Jeremia 23 vers 24. Waarom wordt deze tekst bij vraag 44 aangehaald? Welke onmededeelbare eigenschap van God wordt hier vooral bedoeld? Wat houdt de leer van de consubstantiatie van Luther in? Wat leerde Calvijn
op dit punt?
8. Welke drie zaken noemt de Catechismus als het gaat over het nut van de hemelvaart van Christus? De Kerk wordt wel het lichaam van Christus genoemd. Hoe komt in antwoord 49 de eenheid van de Kerk van Christus tot uiting?
9. Christus zendt ons Zijn Geest als tegenpand. Wat betekent dit? Zoek de verwijstekst op die erbij vermeld staat.
10. Wat betekent de uitdrukking: ‘Die heimwee hebben, komen Thuis’?

Bron: Nodig te  weten, preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 19


Lees zondag 19 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Oudere mensen moet je altijd rechts van je laten lopen. Weet je misschien waarom dat zo is? Waarom staat er ‘zittende aan de rechterhand Gods’? Lees ook 1 Koningen 2 vers 19.
2. Wie mochten er in het Oude Testament nooit zitten? Waarom niet? Wie wordt er met de Rustaanbrenger bedoeld? Is de Heere Jezus werkeloos in de hemel?
3. Zoek Kolossenzen 1 vers 18 eens op. Wie wordt er met ‘het lichaam’ bedoeld?
Is Christus alleen het Begin? Welke Griekse letters ken je in dit verband? Hoe staat het in dit vers dat de Heere Jezus de grootste plaats in je hart wil innemen?
4. Lees Efeze 4 vers 8. Wat heeft Jezus gevangengenomen? Wat wordt daarmee bedoeld? Wat geeft Hij aan Zijn Gemeente? Wat zijn dat?
5. De Heere Jezus giet de hemelse gaven uit. Wat hoor je in het woordje ‘gieten’? Waarom is dat zo bemoedigend?
6. De Heere ‘beschut en bewaart’ tegen alle vijanden. Wat is beschutten? Wie zijn de vijanden? Noem eens een paar voorbeelden uit het leven van Daniël en David. Misschien weet je ook voorbeelden uit de kerkgeschiedenis.
7. Lees vraag 52. Zou je volgens de opsteller van de Catechismus nu bang of blij moeten zijn met de wederkomst van Christus? Denk jij elke dag aan de wederkomst van Christus? Waarom wel? Waarom niet? Hoe komt dat?
8. Er wordt wel eens gezegd: ‘Christus is je Redder of je Rechter.’ Wat wordt daarmee bedoeld? Als Hij je Redder is, wat is er dan van je weggenomen? (antw. 52)
9. Lees Matthéüs 25 vers 41. Over wie gaat het hier? Welke twee dierennamen worden in dit gedeelte genoemd? Welke vreselijke straffen worden hier genoemd? Wat hadden deze mensen (niet) gedaan?
10. Als je in de wereld rondkijkt, lijkt het wel of de duivel de baas is. Is dat echt zo?
11. Komt vervolging in Nederland ook voor? Word jij wel eens geplaagd, omdat je naar de kerk gaat?
 
Jongeren: 
1. Lees Efeze 1 vers 20 tot en met 23. Wat kun je hier lezen over de regeermacht
van Christus? Welke troost ligt hierin voor de Kerk?
2. ‘Opdat Hij Zichzelf aldaar bewijze …’ Wat staat er in de oorspronkelijke taal? Wat is de bedoeling van deze zegswijze? Is dat niet in strijd met wat je in onze samenleving ziet gebeuren?
3. In de Bijbel wordt Gods Kerk vergeleken met een lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. Wat maakt deze beeldspraak duidelijk?
4. Hoe verhoudt zich het regeerambt van Christus met de uitspraak van Jezus:
‘Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen …’?
5. Welk tweeërlei nut brengt de verheerlijking van Christus ons? Zoek bij elk van de twee een verwijstekst. Wat wordt er bedoeld met ‘hemelse gaven’?
6. Hoe verwoordt Johannes 10 vers 28 de ‘volharding der heiligen’?
7. Lees artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Heb jij wel eens mensen horen spreken over de troost van de wederkomst? Hoe kunnen Gods kinderen getroost worden met de komst van de Rechter van hemel en aarde?
8. Wat zou een groter gevaar zijn voor de kerk: welvaart en voorspoed, of vervolging? Motiveer je antwoord.
9. Vervolging en verdrukking kunnen zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Geef hiervan voorbeelden.
10. Op welke wijze kunnen we nu nog vervolging en verdrukking ondervinden?
11. Welke uitwerking zal het laatste oordeel hebben? Geldt het laatste oordeel ook Gods kinderen? Wat betekent de uitdrukking: ‘De Geest overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel’?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 20


Lees zondag 20 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1.   Wat staat er boven Zondag 20? Ken je nog andere uitdrukkingen, waar het woord ‘Heilig’ in voorkomt?
2. Wat lees je in 1 Johannes 5 vers 7? Wat kun je dus van de Heilige Geest zeggen?
3. Met welke ‘natuurverschijnselen’ wordt het werk van de Heilige Geest wel  vergeleken?
4. Hoe weet je nu of de Heilige Geest in je hart woont en werkt?
5. Zoek Galaten 4 vers 6 op. Welke drie personen komen hier voor? Wat leert de Heilige Geest al Zijn kinderen zeggen?
6. Hoe kunnen we alleen maar Christus leren kennen? (antw. 53c) Wie werkt dat in ons hart? Waar heb je ook deel aan als je deel hebt aan Christus? Wat zijn dat?
7. Lees Johannes 15 vers 26 eens voor. Hoe wordt de Heilige Geest hier genoemd? Lees ook nog eens antwoord 1 van Zondag 1. Wat lees je hier over de Heilige Geest?
8. Kun je de Heilige Geest weer kwijtraken als Hij eenmaal in je hart woont? Hoe luidt het laatste zinnetje van antwoord 53?
9. In ons doopformulier komt de Naam van de Heilige Geest verschillende keren voor. Zoek het eens op en lees het eens voor.
10. Zoek Psalm 119 vers 3 (berijmd) op. Je mag het ook zingen. Probeer deze psalm eens met eigen woorden uit te leggen.
11. Hoe wijst de Heere jou de weg in Psalm 25 vers 2 (berijmd)?
 
Jongeren:
1. Leggen jullie nog eens het verschil uit tussen rechtvaardigmaking en heiligmaking. Deze begrippen zijn wel onderscheiden, maar kun je nooit scheiden. Wat bedoelen we daarmee?
2. De Heilige Geest wordt de derde Persoon in het goddelijk Wezen genoemd. Is dit een rangorde?
3. Op welke manier ervaar je de werkingen van de Heilige Geest in je hart?
Weet je dan altijd dat dit de Heilige Geest is?
4. Lees Genesis 1 vers 2. Wat staat hier over de Heilige Geest? Zie je overeenkomsten
tussen de werking van de Geest in de schepping en de herschepping?
5. In ons gebed richten we ons tot God de Vader en de Heere Jezus. Mag je ook tot de Heilige Geest bidden?
6. Zoek de verwijstekst Galaten 3 vers 14 op. Wat wil de opsteller van de Catechismus ons met deze verwijstekst leren?
7. Wat verstaan we onder de algemene werkingen van de Heilige Geest?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 21


Lees zondag 21 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Hoe luidt vraag 54? Wie wordt er met ‘gij’ bedoeld?
2. Zoek eens op: Johannes 10 vers 11. Over Wie gaat het hier? Wie zijn hier
de schapen?
3. Waarom zijn die schapen veilig bij deze Herder? Ken je ook een herder uit
het Oude Testament?
4. Waardoor brengt de Heere mensen tot Zijn gemeente?
5. Lees antwoord 54 nog eens goed. Welk regeltje laat duidelijk zien dat de
Heere ook nu nog mensen bekeert?
6. Hoe roept de Heere jou om tot Hem te komen? Wat belooft de Heere in
Jesaja 59 vers 21?
7. Zolang je nog geen belijdenis gedaan hebt, ben je dooplid van de gemeente.
Wat wordt er bedoeld met het allerlaatste zinnetje van antwoord 54: ‘dat ik
daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven’? Jij ‘leeft’ toch ook?
8. Je hoort wel eens: ‘Als de schapen dicht bij de Herder lopen, dan lopen ze
ook dicht bij elkaar.’ Wat zou dit kunnen betekenen?
9. Wat betekent ‘om des genoegdoens van Christus wil’? (antw. 56) Welke
verwijstekst staat hierbij? Waarom is dit zo’n belangrijk antwoord?
10. Als de Heere je zonden vergeeft, dan denkt Hij er ook nooit meer aan. Hoe
staat dat in antwoord 56? En in Micha 7 vers 19?
11. Wij hebben de ‘gerechtigheid’ van Christus nodig. Wat bedoelen we daarmee?
Wat bedoelen we met ‘eigengerechtigheid’?
12. Wat bedoelen we met: ‘opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome’?
 
Jongeren:
1. Waar moet ik de ‘heilige algemene Christelijke Kerk’ zoeken?
2. Waarom staat er niet: ‘Ik geloof in een heilige algemene Christelijke kerk’?
3. Lees Johannes 17 vers 21. Waarom is de kerkelijke verdeeldheid tot oneer
van God? Moeten we dan alle kerkverbanden maar samenvoegen? Wat
moet daarbij vooropstaan: waarheid of eenheid?
4. Valt de kerkelijke gemeente samen met de gemeente, zoals bedoeld in het
antwoord van vraag 54?
5. De gemeente van Christus zijn de gegevenen van de Vader. Hoe verwoordt
antwoord 54 dat? Welke troost ligt hierin voor de Kerk? En voor jou? Wij
mogen nooit met de uitverkiezing beginnen. Wat bedoelen we hiermee?
6. Wie is de ‘Spiegel’ van de uitverkiezing? Gods kinderen mogen er wel in
eindigen. Wat wil dat zeggen?
7. Wat is de gemeenschap der heiligen volgens antwoord 55 in de eerste plaats?
Wat zijn die schatten en gaven?
8. Wat wordt er met de gemeenschap der heiligen bedoeld? En wat wordt er
niet mee bedoeld?
9. Een van de verwijsteksten onder antwoord 55 is 1 Korinthe 12 vers 21. Wat
staat er boven dit hoofdstuk? Het verkrijgen van het heil is een persoonlijke
zaak. Toch mag het daar niet bij blijven. Hoe staat dit verder in antwoord
54? Zouden jullie enkele gaven kunnen noemen?
10. ‘Het geloof is door de liefde werkende’; hoe staat dat in het slot van antwoord
55? Zoek er ook een verwijstekst bij.
11. Wat wordt er bedoeld met ‘al mijn zonden en ook mijn zondige aard’? Is
dit ook jouw strijd? Kunnen we dit in eigen kracht? Welk ‘kleed’ hebben
we hiervoor nodig?
12. Veel mensen zeggen dat ze wel in God geloven, maar de kerk niet nodig
hebben. Welk antwoord zou je op grond van de Nederlandse Geloofsbelijdenis
hierop geven?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
 
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 22


Lees zondag 22 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat waren de punten van de preek?
2. Welk woordje komt heel vaak terug in de Catechismus? Lees vraag 57 en ook vraag 1.
3. Welke van de Twaalf Artikelen gaan over het werk van de Heilige Geest?
4. Wat zijn de twee weldaden na het sterven? (vr. 57 en 58)
5. Lees Lukas 16 vers 22 eens. In welke gelijkenis staat dit vers? Wat wordt er bedoeld met ‘Abrahams schoot’? Waarom zou het zo gezegd worden?
6. Hoe kunnen mensen opgewekt worden, volgens antwoord 57?
7. Wanneer worden ziel en lichaam verenigd? Waar zullen al Gods kinderen dan op lijken?
8. Veel kinderen hebben het over ‘doodgaan’ van mensen. Waarom moet je dat zo niet zeggen? Hoe dan wel? Waar denk je bij ‘doodgaan’ vooral aan?
9. Zoek 1 Korinthe 2 vers 9 op. Met welke woorden wordt het hemelleven hier beschreven? Wie mogen daar komen?
10. De hemel wordt ook wel ‘een huis’ genoemd. Kun je een tekst noemen waar dit zo is?
11. Waarom is een christen pas thuis als hij bij de Heere in de hemel is? Hoe wordt dit leven ook wel genoemd?
12. Bestaat er ook een hemel op aarde? Veel mensen zoeken een hemel op aarde. Wat bedoelen we daarmee? Wat zoek jij?
13. Wat bedoelen we met ‘een beginsel van de eeuwige vreugde’?
14. Noem eens enkele voorbeelden uit de Bijbel van kinderen die de Heere al jong liefhadden. Waarom ben je zo gelukkig als je jong de Heere leert vrezen?
15. Welk vers uit de berijmde Psalm 73 zou goed bij deze Zondag passen? Verlang jij daar wel eens naar?
 
Jongeren:
1. Waaruit blijkt in antwoord 57 dat het de echte christen niet in de eerste plaats om de hemel te doen is? Hoe blijkt dit uit de woorden van de moordenaar  aan het kruis?
2. Welke tweeërlei opstanding is er? (Dan. 12:2)
3. Welke drie fasen zijn er te onderscheiden in het heilsgebeuren, volgens de verklaring?
4. Lees Filippenzen 1 vers 21. Wat betekent het woord ‘gewin’? Lees ook vers 23. Waarom gebruikt Paulus hier het woord ‘ontbonden’?
5. Welke band wordt bij het sterven doorgesneden? Welke band wordt voor Gods kinderen niet doorgesneden?
6. Verschillende sekten geloven in de zogenaamde ‘zielenslaap’. Hoe kun je dit weerleggen op grond van de Schrift?
7. Waaruit blijkt uit antwoord 58 dat het leven van een waar gelovige niet een droefgeestig bestaan is? Hoe komt het dat dit zo vaak gedacht wordt?
8. Je mag het lichaam niet onderschatten, maar ook niet overschatten. Geef van elk een voorbeeld uit de geschiedenis en uit de tegenwoordige tijd.
9. Wat zouden we vertellen tegen mensen die zeggen: ‘Je leeft maar één keer; je moet het er nu van nemen!’
10. We zeggen wel eens: ‘Er is veel gevoel zonder geloof, maar geen geloof zonder gevoel.’ Wat bedoelen we daarmee?
11. De ‘opstanding des vleses’ heeft alles te maken met de opstanding van Christus. Kun je dit uitleggen?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
 
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 23


Lees zondag 23 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Hoe noemen we het hoofdstuk dat met Zondag 23 begint? Welk woord herken je hierin? Probeer vraag 59 eens met eigen woorden te zeggen.
2. Wat waren de punten van de preek?
3. Wat lees je in Habakuk 2 vers 4? Kunnen wij het met onze werken (Bijbellezen,
bidden, naar de kerk gaan) weer goed maken bij God? Hoe staat dat in antwoord 60?
4. In antwoord 60 komt het woordje ‘consciëntie’ voor. Weet je wat dat betekent?
Spreekt jouw consciëntie wel eens? Wanneer? Luister je altijd naar dat stemmetje?
5. Je belooft wel eens iets voor een ander mee te nemen. De ander zegt dan tegen je: ‘Eerst zien en dan geloven.’ Spreekt de Bijbel ook zo over het geloof?
6. Ken jij dit regeltje: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig
verschijnen voor God?’ Uit welk gedicht komt deze regel? Wie heeft dit gedicht geschreven? Welke vraag uit Zondag 23 geeft hier antwoord op?
7. Wij denken vaak dat we ons eerst ‘moeten opknappen’ voor we naar de Heere Jezus toe mogen gaan. Maar het is net andersom. Hoe staat dat in antwoord 60?
8. Welke drie dingen schenkt God, uit genade, aan de zondaar die de toevlucht
neemt tot de Heere Jezus Christus? (antw. 60)
9. God vergeeft de zonden ‘om Jezus’ wil’. Vergeet Hij de zonden dan ook?
10. Wat betekent het zinnetje ‘evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan’?
11. De Heere vraagt geloof. Kijk maar in Johannes 3 vers 18. Het geloof wordt wel eens de hand van de bedelaar genoemd. Waarom, denk je?
 
Jongeren:
1. Wij overtreden dagelijks al de geboden van de wet des Heeren, in gedachten,
woorden en werken. Hoe kunnen we nu alleen voor God rechtvaardig zijn?
2. Wat waren ook al weer de drie sola’s van de Reformatie? Lees Johannes 3
vers 36. Welke twee wegen lees je hier?
3. Waarom spreekt vraag 60 over een waar geloof? Welke soorten ‘geloof’
onderscheidt men ook wel? Kun je van elk voorbeelden noemen?
4. Is het historisch geloof verkeerd?
5. Welke naam staat centraal in antwoord 60? Zoek bij elke letter één verwijstekst op.
6. Al onze wegen naar God toe zijn doodlopende wegen. Wat bedoelen we daarmee?
7. Waarom proberen we toch altijd maar weer op onze manier tot God op te klimmen? Welke ‘Ik ben-tekst’ wijst ons de enige weg?
8. Zoek 2 Korinthe 5 vers 19 tot en met 21. Waar is deze belofte in vervulling gegaan? En hoe wordt deze belofte toegepast aan het zondaarshart?
9. Er wordt wel eens (goedbedoeld) gezegd: ‘Hij heeft veel steun aan zijn geloof.’ Wat zegt antwoord 61 hierover?
10. De woorden ‘toe-eigenen’ en ‘toepassen’ worden wel eens op verschillende
momenten gebruikt. Zijn dit tegenstellingen? Tot welke ‘uitwassen’ kan het verkeerd gebruik van deze woorden leiden?
11. De rechtvaardiging van de zondaar wordt vaak voorgesteld als een rechtszaak.
Kun je met dit beeld de rechtvaardiging door het geloof duidelijk maken? Wie zou dan de Rechter zijn? En Wie de aangeklaagde? En Wie de Voorspraak? En Wie betaalt de schuld?
12. Zoek 1 Johannes 5 vers 10 op. Wat wil deze verwijstekst ons duidelijk maken? Zoek ook de kanttekening op die bij deze tekst hoort.
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 24


Lees zondag 24 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen: 
1. Wat zijn goede werken? Moeten we goede werken doen? Wij moeten tot Gods eer leven! Kunnen we dat?
2. Wat zijn de drie punten van de preek?
3. Lees Galaten 3 vers 10. Moeten wij de wet van God zo goed mogelijk proberen te houden, of volmaakt, in gedachten, woorden en werken? Kunnen wij dat? Wat zegt God in deze tekst als je het niet doet?
4. Wat zegt antwoord 62 hierover? Wat bedoelen we met onze ‘beste werken’? Wat zegt antwoord 62 hierover?
5. Hoe heeft de Heere Jezus de wet samengevat? Kunnen wij de wet volbrengen? Wie heeft de wet volkomen gehouden?
6. Er staat toch in de Bijbel dat de Heere de goede werken (bijv. aalmoezen geven) in de hemel wil belonen? (Matth. 6:1). Wat zegt antwoord 63?
7. Wat staat er over Mozes in Hebreeën 11? Welk soort ‘loon’ wordt er bedoeld?
8. ‘Een makkelijke leer’, zeggen sommigen, ‘het geeft niet hoe je leeft en wat je doet; je wordt toch wel uit genade zalig.’ Wat zegt Romeinen 6 vers 1 tot en met 5 in dit verband?
9. Waaruit blijkt of iemand het ware geloof in Christus heeft?
10. Met goede werken kun je niet zalig worden, maar zonder goede werken ook niet. Kun je dit nu uitleggen?
 
Jongeren:
1. De boom van ons leven moet vruchten voortbrengen tot Gods eer. Wat betekent dat?
2. Door goede werken God proberen tevreden te stellen, met hulp van de genade, komt dat alleen in de Roomse Kerk voor? Wat herken je hiervan in je eigen leven?
3. Lees Jesaja 64 vers 6. Wat zegt antwoord 62 hierover?
4. Maar er zijn toch heel veel mensen die veel voor een ander overhebben? Wat bedoelen we met het gezegde: ‘Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht’?
5. Wat is werkheiligheid? Werkheiligheid zit ons in het bloed. Hoe zie je dat uitkomen in het leven van Bijbelheiligen, zoals Abraham en Petrus?
6. Geloof is onmisbaar ter zaligheid; toch is geloof geen prestatie van de mens. Leg dit eens uit. Wat is het dan wel?
7. Leg het verschil uit tussen een dood geloof en een levend geloof aan de  hand van de geschiedenis van de wijnstok en de ranken.
8. Het woord ‘genade’ is een kernwoord uit de Bijbel. Ben je wel eens blij geweest met dit woord? Zoek enkele teksten uit Gods Woord op waar het woord ‘genade’ in voorkomt.
9. Wat wordt er bedoeld met de uitdrukking: ‘Genade wordt verleend op het schavot’?
10. De zonde ‘loont’ ook? Wat is het loon op de zonde?
11. Hoe zie je in Zondag 24 ellende, verlossing en dankbaarheid terugkomen?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 25


Lees zondag 25 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat zijn sacramenten? Welke sacramenten ken je? Kun je enkele verschillen noemen tussen deze twee sacramenten? Er is ook een overeenkomst. Welke?
2. Komt het woord ‘sacrament’ in de Bijbel voor? Welke taal is dit? Wat betekent het woord precies? (Ef. 5)
3. Als je nat wilt worden, moet je in de regen lopen. Als je bekeerd wilt worden, moet je naar de kerk gaan (onder het Woord komen). Hoe staat dat in antwoord 65?
4. De Heilige Geest wordt wel de Werkmeester van het geloof genoemd. Waarom? Hoe werkt Hij dan? Je kunt het antwoord lezen in Zondag 25.
5. Het geloof moet ‘gewerkt en versterkt’ worden. Begrijpen jullie wat daarmee bedoeld wordt?
6. Zoek Johannes 3 vers 5 eens op. Wanneer kun je dus alleen het Koninkrijk van God binnengaan?
7. De sacramenten willen je iets duidelijk maken. Ze laten je iets zien. Wat zie je bij het Heilig Avondmaal en bij de Heilige Doop? Wat betekent het?
8. De sacramenten zijn tekenen en zegelen. Wat zijn zegelen (zegels)?
9. Zoeken jullie de Dordtse Leerregels hoofdstuk 5, artikel 14 eens op. Lees het eens voor. Staat hier iets in over de sacramenten?
10. Lees de verwijstekst Leviticus 6 vers 25 eens voor. Met welk sacrament heeft deze tekst vooral te maken? Waarom?

Jongeren:
1. Een vraag die, hoop ik, vaak gesteld wordt: ‘Hoe kom ik aan dat geloof?’ Welke weg wijst de Catechismus in deze Zondag?
2. Is er verschil tussen het doel van het Evangelie en het doel van de sacramenten?
3. Hoeveel sacramenten heeft de Rooms-Katholieke Kerk? Wat zijn de vier voorwaarden, waaraan een echt Bijbels sacrament moet voldoen?
4. Het geloof wordt ‘gewerkt en versterkt’. Weet je uit je eigen leven hoe dit gaat? Heb je wel eens iemand horen vertellen hoe hij naar de Heere toe getrokken is?
5. Wat lees je in de verwijstekst Filippenzen 1 vers 29? Welke twee dingen maken deze tekst ons duidelijk?
6. De Heere heeft de sacramenten Zelf gegeven. We spreken over een hoorbaar, maar ook over een zichtbaar Evangelie. Waar komen we deze sacramenten in het Oude Testament tegen?
7. Lees artikel 33 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Waarom heeft God de sacramenten ingesteld? Wie staat centraal in de sacramenten? Hoe zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis dit?
8. Wat verzekert de Heilige Geest ons door de sacramenten? (zie antw. 67)
9. Waarom mogen we het Woord en de Heilige Geest nooit van elkaar losmaken? (Ef. 6:17b)
10. Welke overeenkomst is er tussen artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Zondagen 25 tot en met 31 van de Catechismus?
11. Redding is er alleen te vinden in het bloed van Christus. Waarom moeten wij daar steeds weer op gewezen worden? In welke geschiedenis uit het Oude Testament betekende het bloed redding van de dood?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 26


Lees zondag 26 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Jij bent gedoopt! Denk je daar wel eens over na? Wat betekent het voor jou dat je gedoopt bent?
2. Waar heeft het woord ‘doop’ mee te maken volgens de verklaring van deze Zondag?
3. Lees Matthéüs 28 vers 19. Wie heeft de doop ingesteld? Welke namen worden er bij een doopbediening genoemd?
4. Waarom wordt de doop een waterbad genoemd? 
5. Het doopwater is net als de Rode Zee. Wat bedoel je daarmee? Lees ook het stukje uit het doopformulier waarin het over de Rode Zee gaat.
6. Waar wijst het water van de doop ons op?
7. Wast het doopwater je zonden af?
8. Als je gedoopt bent, dan ben je apart gezet. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee?
9. Wat betekent ‘hoe langer hoe meer je zonden afsterven’? (antw. 70)
10. Je hebt het wel eens gehoord: ‘Laat de Heere je gedoopte voorhoofd maar zien.’ Wat betekent dat? Lees vraag 71.
11. Hoe luidt de inzetting van de doop? Waar vinden we deze inzetting? 
12. Heel vaak wordt bij een doopbediening Psalm 105 vers 5 of 6 gezongen. Welk woord kom je in beide verzen tegen? Waarom komt dit woord zo vaak in de Bijbel voor? Wat leert dit ons?
13. Er wordt wel eens gezegd: ‘Je hebt een merkteken en een veldteken ontvangen.’ Wat wordt daarmee bedoeld?

Jongeren:
1. Denken jullie bij een doopbediening altijd aan het kruis van Christus? Wat leert vraag 69 ons hierover? 
2. Wat heeft Christus in de doop toegezegd? (antw. 69) Is dat ‘een misschientje’? Hoe blijkt dat uit vraag 69?
3. Welke twee geestelijke weldaden worden er in de doop beloofd? 
4. Lees 1 Petrus 3 vers 21. Wat heeft de Heilige Doop te maken met de opstanding van Christus? 
5. De twee sacramenten zijn gelijkwaardig. Komt dit in de praktijk ook zo naar voren? Hoe zou dat komen?
6. We kunnen de doop overschatten. Wanneer doen we dat? Je kunt de doop ook onderschatten. Hoe?
7. Je kunt ook in het doopwater verdrinken. Dat is natuurlijk figuurlijk bedoeld. Wat zou ermee bedoeld worden?
8. In antwoord 70 komen rechtvaardigmaking en heiligmaking aan de orde. Met welke bewoordingen? In ons doopformulier staat ‘dat de doop ons verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid’. Wat bedoelen we hiermee? Hoe komt dit in jouw leven openbaar? Geldt deze ‘plicht’ alleen Gods kinderen?
9. Wat betekent de uitdrukking: ‘minder zonden doen en groter zondaar worden’?
10. Of je mag pleiten op je doop lees je in vraag 71, maar ook in Psalm 81 vers 12 (ber.). Mogen we dit als een ‘rechthebbende’ doen?
11. Welke twee Schriftplaatsen wijst antwoord 71 aan, waarin we de inzetting
van de doop kunnen lezen?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 27


Lees zondag 27 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Als je gedoopt bent, zijn dan ‘automatisch’ je zonden vergeven? Wat zegt antwoord 72 hierover?
2. Zoek de verwijstekst Matthéüs 3 vers 11 eens op. Wie spreekt hier? Over Wie spreekt hij hier? Wat is dus nog meer nodig bij de doop dan alleen water?
3. Waarom wordt er water bij de doop gebruikt? Waar wijst dit teken op? De doop is ook een zegel. Wat verzegelt het dan? Je leest het in antwoord 73.
4. In ons doopformulier staat de regel: ‘… dit leert ons de ondergang en besprenging met het water …’ Wat betekenen deze twee woorden?
5. Lees Openbaring 1 vers 5 eens. Wat heeft deze tekst te maken met de betekenis van de Heilige Doop?
6. Twijfel je er wel eens aan of je zonden vergeven kunnen worden? Heb je wel eens verdriet over je zonden? Lees/zing Psalm 81 vers 12 (ber.). Waarom denk je dat je juist dit psalmvers moest zingen?
7. Vraag en antwoord 74 gaat speciaal over de doop van kinderen. Zoek de verwijstekst Matthéüs 19 vers 14 eens op. Ben je wel eens blij geweest dat deze tekst in de Bijbel staat?
8. Wat zijn Wederdopers? Weet je wat deze mensen leerden over de doop?
9. Wat belooft de Heere ook aan kinderen in de Heilige Doop? Wat mag je dus altijd aan de Heere vragen?
10. Wat kunnen we van de zon, maan en sterren leren als het gaat over de trouw van God?
11. Door de doop worden we ‘van de kinderen der ongelovigen’ onderscheiden. Wat betekent dat? Ben je beter dan de kinderen die nooit naar de kerk gaan?

Jongeren:
1. Vroeger werd de doop soms uitgesteld tot vlak voor de dood. Welke verkeerde gedachte zit hierachter? 
2. Wat lezen we in Efeze 5 vers 26? Welke twee zaken horen dus onlosmakelijk bij elkaar?
3. Waarom staat er in antwoord 72: ‘… het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest’?
4. Lees antwoord 73. Wat verzekert God ons door dit goddelijk pand en waarteken? Is dit ook jouw troost?
5. Over welke ‘Kerk’ gaat het in Openbaring 7 vers 14? Wat bedoelen we eigenlijk met de uitdrukking: ‘gewassen in het bloed van Christus’?
6. Er is veel discussie (geweest) over de kinderdoop of de volwassendoop. Welke argumenten noemt antwoord 74 voor de kinderdoop?
7. Vergelijk Genesis 17 vers 7 met Handelingen 2 vers 39. Wat kunnen we uit deze twee Schriftgegevens aanvoeren in het voordeel van de kinderdoop?
8. Wat valt je op bij de bekering en doop van Lydia en de stokbewaarder? Welke gevolgen had dit voor hun ‘huis’?
9. Welke oudtestamentische vergelijking wordt er gemaakt in antwoord 74?
10. De bediening van de Heilige Doop is niet alleen van betekenis voor de
gedoopten, maar ook voor de ouders en de gemeente. Leg dit uit.
11. De doop is niet alleen een groot voorrecht, maar ook een grote verantwoordelijkheid. Waarom?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 28


Lees zondag 28 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1.    Weten jullie nog hoe de twee sacramenten heten? Over welk sacrament gaat het in Zondag 28? Wie heeft dit sacrament ingesteld? Waar is dat gebeurd? Wanneer is dat gebeurd?
2. Waarom werden er vroeger nog meer maaltijden gehouden, behalve om te eten en te drinken? Kennen jullie enkele Bijbelse voorbeelden van maaltijden die gehouden werden?
3. Vraag 75: ‘Hoe wordt u in het Heilig avondmaal vermaand en verzekerd.’ Wat betekent ‘vermaand’? En wat betekent ‘verzekerd’?
4. Zoek op: Matthéüs 26 vers 26, 27 en 28. Wat zijn de twee tekenen bij het Heilig Avondmaal en waar wijzen deze tekenen op? Waarom wil de Heere Jezus ons het Woord niet alleen laten horen, maar ook laten zien?
5. Je ziet dat de dominee het brood (in stukjes) breekt. Waarom doet hij dat?
6. Waar denk jij aan als het Heilig Avondmaal in de gemeente bediend wordt?
7. Lees Johannes 6 vers 35. Dit is een ‘Ik ben-tekst’. Ken je nog enkele van zulke teksten? Wat heeft deze tekst met het Heilig Avondmaal te maken? Wat vraagt de Heere van jou om ‘gevoed’ te worden?
8. Vergeving van zonden krijg je niet door goed je best te doen. Ken je het boek De Christenreis? Wanneer viel het zware pak van de rug van Christen?
9. Gods kinderen, de Kerk of de gemeente worden wel het Lichaam van Christus genoemd. Weet je waarom dat zo is? Wie is het Hoofd? Wat betekent dat voor het Lichaam van Christus? Hoe kun je ook bij het Lichaam van Christus gaan behoren?
10. Lees vraag 77. Welke belofte kunnen we daar lezen? Waar vinden we de inzetting van het Heilig Avondmaal? Welke apostel heeft hier ook over geschreven?

Jongeren:
1. Hoe komt het dat de Catechismus zo uitvoerig ingaat op het Heilig Avondmaal: drie uitgebreide Zondagen? Is het Heilig Avondmaal ‘belangrijker’ dan de Heilige Doop?
2. Zoek artikel 35 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis eens op. Lees het aandachtig. In de eerste regel lezen we wat het doel van het Avondmaal is en voor wie het is ingesteld …
3. Waarom is het belangrijk om als gezin gezamenlijke maaltijden te houden? Waarom komt dit tegenwoordig ‘onder druk’ te staan?
4. Waarom ‘pakken’ de Avondmaalgangers het brood of de drinkbeker niet zelf?
5. Met welk doel heeft Christus het Heilig Avondmaal ingesteld?
6. Lees Markus 14 vers 22, 23 en 24. Waar is het Heilig Avondmaal voor in de plaats gekomen? Wat wordt er bedoeld met ‘het bloed des Nieuwen Testaments’?
7. Christus wordt wel het Paaslam genoemd. Welke overeenkomsten zijn er tussen het paaslam en het Paaslam Christus?
8. Het Heilig Avondmaal wordt regelmatig bediend. Waarom is dat? Op welke wijze ben jij betrokken bij het Heilig Avondmaal?
9. Wat betekent dus het eten van het lichaam en het drinken van het bloed van Christus volgens antwoord 76? Zoek er ook een verwijstekst bij en probeer het met eigen woorden uit te leggen.
10. Wat betekent de uitdrukking ‘met Christus verenigd zijn’? Hoe gebeurt dat volgens antwoord 76? Geldt dat alleen de toekomstige heerlijkheid of  kan dat hier op aarde ook plaatsvinden?
11. Het Heilig Avondmaal wordt ook wel de verkondiging van de dood des Heeren genoemd. In welk gedeelte van de Schrift vinden we dit? Waarom moet het Heilig Avondmaal ook nu nog bediend worden?
12. Waarom is een waar geloof nodig om met zegen het Heilig Avondmaal te
vieren?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 29


Lees zondag 29. door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Worden brood en wijn echt het lichaam en bloed van Christus? De Heere Jezus zegt toch: ‘Dit is Mijn lichaam’, als Hij het brood aan de discipelen geeft?
2. Welke twee voorbeelden worden er in de preek bedoeld om dit duidelijk te maken?
3. Wat zijn de drie punten uit de preek?
4. Wie wordt de Gastheer aan het Heilig Avondmaal genoemd? Waarom wordt Hij zo genoemd? Hoe kun je Zijn stem horen?
5. Lees Matthéüs 26 vers 29. Wat wordt er bedoeld met ‘de vrucht van de wijnstok’? Begrijpen jullie misschien waarom deze verwijstekst erbij staat?
6. Waarom eten en drinken jullie? Gods kinderen eten en drinken ook aan het Heilig Avondmaal. Waarom doen ze dat?
7. Zoek 1 Korinthe 10 vers 16 eens op. Welk woord komt hier tweemaal voor? Weet je wat dit woord betekent? Kun je nog andere woorden noemen die erop lijken?
8. Wat laat de Heere Zijn kinderen in het Heilig Avondmaal zien?
9. Welk voorbeeld wordt in de verklaring genoemd om duidelijk te maken wat een pand is?
10. Kinderen gaan niet aan het Avondmaal. Waarom niet? Wat kunnen kinderen toch van dit sacrament leren?
11. Je kunt honger en dorst naar de Heere hebben. Wat bedoelen we daarmee? Je kunt ook hongeren en dorsten naar andere dingen. Geef daar eens een voorbeeld van?

Jongeren:
1. Bij de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal komt soms veel bijgeloof voor. Kunnen jullie daar voorbeelden van geven?
2. In de Vroege Kerk kreeg het Heilig Avondmaal steeds meer het karakter van een offermaaltijd. Hoe kwam dat? Wat was het gevolg?
3. Op welke manier kun je uit het sacrament van de Heilige Doop bewijzen dat brood en wijn bij het Heilig Avondmaal niet wezenlijk veranderen?
4. ‘We gaan niet naar het Avondmaal om bekeerd te worden.’ Wat vind je van dit gezegde? 
5. Zoek de verwijstekst Efeze 5 vers 26 op. Waarom wordt naar deze tekst verwezen? Wat lees je in Titus 3 vers 5? Welke overeenkomst is er tussen deze twee teksten?
6. Welke overeenkomst is er volgens antwoord 79 tussen brood en wijn en het gekruisigd lichaam en vergoten bloed van de Heere Jezus?
7. Lees Johannes 6 vers 55. Welke gevolgtrekking maakt de Roomse Kerk hier? Wat stelt de Catechismus hier tegenover?
8. Over welke vier zaken gaat het in de Avondmaalsbediening?
9. In het Formulier voor het Heilig Avondmaal wordt verwezen naar de Twaalf  Artikelen. Welk artikel wordt hier bedoeld? Wat is hiervan de bedoeling?
10. Gods kinderen kunnen het Heilig Avondmaal ook verwaarlozen. Wat is hiervan het gevolg?
11. Wat bedoelen we met hongeren en dorsten naar de gerechtigheid? Waar dorstte David naar in Psalm 42? En jij?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 30


Lees zondag 30 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat bedoelt vraag 80 met de ‘Paapse mis’? Kun je verschillen noemen met het Heilig Avondmaal?
2. Lees Hebreeën 10 vers 10. Waar is het lichaam van Jezus Christus ‘geofferd’? Wat bedoelen we daarmee? Weet je misschien ook waarom deze verwijstekst genoemd wordt?
3. Wat betekent het woordje ‘ingelijfd’? Welk woord hoor je hierin? Geef daar eens een ander woord voor? Wie zorgt voor die ‘inlijving’?
4. Lees Johannes 20 vers 17. Tot wie zegt Jezus dit? Over welk heilsfeit gaat het hier? Is Jezus dan niet meer op de aarde?
5. Hoe noemt antwoord 80 het misoffer? Kun je dit uitleggen?
6. Wat betekent ‘een mishagen aan jezelf hebben’? Je hoort vaak spreken over ‘de drie stukken’. Wat bedoelen we daarmee?
7. Wie is het ‘belangrijkste’ aan het Heilig Avondmaal?
8. Wat wil de Heere Jezus in het Avondmaal ook al weer laten zien? Hoe staat dat in antwoord 81?
9. Wat zijn hypocrieten? Kun je dat aan de buitenkant zien? Wat zegt antwoord 81 hierover?
10. Verlang jij wel eens naar de Heere Jezus en naar het Heilig Avondmaal?
11. Lees vraag 82. Wie mogen niet aan het Heilig Avondmaal komen? Wat gebeurt er anders volgens antwoord 82?
 
Jongeren:
1. Wat bedoelen we met ‘transsubstantiatie’ en wat met ‘consubstantiatie’?
2. Welke twee woorden uit de eerste regel van het antwoord van vraag 80 mag je, in antwoord op de leer van de transsubstantiatie, wel onderstrepen? Zoek een verwijstekst bij het eerste (a) deel.
3. Wat het gevolg van de ‘inlijving in Christus’ is, lees je in 1 Korinthe 10 vers 16. Welk woord wordt hier gebruikt?
4. Waarom benadrukt de Catechismus zo sterk dat de menselijke natuur van Christus in de hemel is?
5. Lees Hebreeën 9 vers 26. Waarom wordt deze verwijstekst genoemd? Wat is het centrale gedeelte in een Rooms-Katholieke Kerk? En wat in een protestantse kerk? Waar wijst dit op?
6. Hoe komen de drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid in antwoord 81 naar voren? Zoek deze drie stukken ook op in het Formulier voor het Heilig Avondmaal.
7. Wat verstaan we onder een kerkelijk recht en een goddelijk recht om aan te gaan aan het Heilig Avondmaal?
8. Om aan het Heilig Avondmaal te mogen gaan is wedergeboorte, geloof en bekering nodig. Is dat niet nodig bij het afleggen van openbare belijdenis des geloofs? Heb jij wel eens een verlangen naar het Heilig Avondmaal?
9. Wat vind je van deze uitspraak: ‘Ik ben het niet waardig om naar het Heilig Avondmaal te gaan’?
10. Als je deelneemt aan het Heilig Avondmaal, wat is er dan in elk geval nodig? Moet je zeker weten dat je zonden vergeven zijn om aan het Avondmaal te
mogen gaan?
11. Over welke zonden gaat het in vraag 82? Waarom wordt het ‘verbond Gods’ ontheiligd? Wat wordt er bedoeld met het ‘verbond Gods’?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
 
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 31


Lees zondag 31 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Lezen jullie antwoord 82. Welk woord komt zowel in antwoord 82 als in vraag 83 voor? Waar worden sleutels vooral voor gebruikt?
2. Welke twee sleutels noemt antwoord 31?
3. Bij tucht denken we aan straf. Is straf krijgen altijd verkeerd? Waarom straft je vader of moeder, de meester of juffrouw soms?
4. Wanneer gaat de deur open? Probeer antwoord 84 eens met eigen woorden te zeggen.
5. Kunnen jullie een belofte van het Evangelie uit de Bijbel noemen?
6. Waarom is het zo belangrijk dat je naar Gods huis gaat om het Woord te horen? Je hoort daar belofte en dreiging. Wat bedoelen we daarmee?
7. Wanneer gaat de deur dicht? Kan de deur dan nooit meer opengaan? De Heere zegt dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze. Waar heeft Hij dan wel lust in?
8. Wat moet je doen als je je broertje of zusje kwaad ziet doen? Moet je het gelijk tegen je vader of moeder zeggen?
9. Ken je een bekend iemand uit de kerkgeschiedenis die ook eenmaal in de ban gedaan werd? Waarom was dat zo?
10. Lees het laatste regeltje van antwoord 84 eens. Waarom is de ban zo verschrikkelijk?
11. Als jij ziet dat je de straf verdiend hebt, wat doe je dan? Zijn je vader of moeder dan nog boos? Is er ook een weg terug voor mensen die in de ban gedaan zijn?

Jongeren:
1. In Zondag 31 gaat het over de kerkelijke tucht. Waar denken jullie vooral aan bij het woord ‘tucht’?
2. De kerkelijke tucht is nooit juridisch bedoeld, maar medisch. Wat bedoelen we daarmee?
3. Wat wil het woord ‘openlijk’ zeggen in antwoord 84?
4. Een ziek lichaamsdeel kan consequenties hebben voor je hele lichaam. Noem een voorbeeld. Hoe kun je dit toepassen op het lichaam van Christus, de gemeente?
5. Heb je wel eens ervaren dat er onder de prediking van het Woord een deur voor je openging? Wat wordt hier eigenlijk mee bedoeld? Wie heeft eens gezegd: ‘Ik ben de Deur’?
6. In Matthéüs 16 vers 19 gaat het over de sleutelmacht. Hebben mensen dan macht om anderen buiten te sluiten?
7. Wat is het drievoudige doel van de tucht?
8. Als we iemand zien zondigen, moeten we eerst volgens Matthéüs 18 handelen. Wat bedoelen we daarmee?
9. Wat is het zichtbare gevolg van de christelijke ban?
10. Over welke twee zaken gaat de christelijke ban? Waarom heeft de ban zulke vreselijke gevolgen?
11. ‘Evangelie’ betekent ‘goede boodschap’. Kun je spreken van een goede boodschap als ongelovigen en onbekeerden het oordeel aangezegd wordt?
12. Hoe komt het dat ‘uitsluiting uit de christelijke gemeente’ nog maar zelden
plaatsvindt?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 32


Lees zondag 32 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Weten jullie de hoofdgedachte (thema) van de preek en de drie punten?
2. Wanneer ben je dankbaar? Ben je dan een sierboom of een vruchtboom? Welk beeld kom je nog meer in de verklaring tegen?
3. Onze ‘goede werken’ brengen ons niet in de hemel. Wie kan ons alleen verlossen? In welk opzicht lijkt Jozua, de opvolger van Mozes, op de Heere Jezus?
4. ‘Vraag maar veel om een nieuw hart.’ Dit heeft vast wel eens iemand tegen je gezegd. Weet je wat daarmee bedoeld wordt? In antwoord 86 kom je een woord tegen waar ‘nieuw’ in voorkomt. Welk woord is dat?
5. Hoe kun je zien of iemand de Heere vreest?
6. Ook als je gedoopt bent, moeten de mensen dat kunnen zien. Waarom? Wat horen/zien de mensen van jou?
7. Iemand zei eens: ‘Eerst was het “ik, ik”. Toen was het “ik en Hij”. Daarna was het “Hij en ik”. Ten slotte was het “Hij alleen”!’ Weet je wat dit betekent? Waar moet het in ons leven om gaan?
8. Zoek eens op: Matthéüs 7 vers 17. Wat betekent deze tekst? Weet je hoe die goede vruchten heten? Lees Galaten 5 vers 22. De kwade vruchten lees je in Galaten 5 vers 19 tot en met 21.
9. Ben jij een kind van God? Hoe kun je dat weten?
10. Waarom is het zo erg als je met een gedoopt voorhoofd vloekt en liegt?Lees het laatste regeltje van antwoord 86. Wat betekent dat regeltje? Kun je hiervan een voorbeeld geven?
11. Lees 2 Korinthe 3 vers 3. Wat wordt er bedoeld met een ‘brief van Christus’? Waar is die brief niet mee geschreven? Waar is die brief wel mee geschreven?

Jongeren:
1. Het derde deel van de Catechismus handelt over de dankbaarheid. Ellendekennis is nodig. Geldt dit ook voor de dankbaarheid? Hoe verwoordt het opschrift boven Zondag 32 dit?
2. Ons berouw, onze kerkgang, onze dankbaarheid zijn geen gronden voor de vergeving van de zonde. Motiveer je antwoord.
3. Zoek op: 1 Petrus 2 vers 12. Wat zegt de kanttekening hierover? 
4. Wat betekent de uitdrukking: ‘… en ook naar Zijn evenbeeld vernieuwt’? Waar zijn we dat beeld kwijtgeraakt?
Waarom staat dit woord in de tegenwoordige tijd?
5. Wat zijn de drie vruchten die in antwoord 86 worden genoemd?
6. In Romeinen 12 is sprake van een ‘redelijke godsdienst’. Wat wordt hier niet mee bedoeld? Wat wordt hier wel mee bedoeld?
7. Wat waren de ‘goede werken’ van Paulus vóór zijn bekering? Waaruit bleek het nieuwe leven van Paulus na zijn bekering?
8. Waarom is de levenswandel van een christen zo belangrijk? Waarom denken niet-christenen dikwijls: Christenen denken dat ze beter zijn dan andere mensen?
9. Hoe bleek uit het leven van de Samaritaanse vrouw dat ze van het water des levens gedronken had? (Joh. 4)
10. Handel en wandel zeggen meer dan alleen maar vrome woorden. Waarom? Kun je hier een gezegde bij noemen?
11. ‘God neemt me zoals ik ben, als je maar gelooft.’ Wat zegt antwoord 82 hierop?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 33


Lees zondag 33 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Waarom staat er in vraag 88 ‘de waarachtige bekering’? Bestaat er dan ook een onechte bekering? Wat is dat eigenlijk? Kun je een Bijbels voorbeeld geven?
2. Wat zijn de punten van de preek?
3. Je hoort vaak: ‘Je moet geloven in de Heere Jezus!’ En dat is waar. Waarom horen geloof en bekering bij elkaar?
4. Kun je in je leven ook een keer helemaal bekeerd zijn? Je hoort toch wel eens: ‘Die man of vrouw is bekeerd.’
5. Bid jij wel om bekering? Wat vraag je dan? Willen wij eigenlijk wel bekeerd worden?
6. Lees vraag en antwoord 88 nog eens? Uit hoeveel stukken (delen) bestaat dus de waarachtige bekering van de mens?
7. Wij mogen geen mensen haten. Wat moet je wel haten? Geef eens een andere naam voor ‘vlieden’. Kun je een Bijbels voorbeeld noemen van iemand die voor de zonden ‘vlood’?
8. Welk vers uit de berijmde Psalm 25 past goed bij antwoord 90? Waar bestaat ‘de hartelijke vreugde in God’ uit?
9. Wat bedoelen we als we zeggen dat een kind van God een ‘tweemens’ is?
10. Zoek eens op: Johannes 15 vers 1 tot en met 4. Wanneer kunnen we echt vrucht dragen?
11. Hoe wordt bekering genoemd in Johannes 3 vers 3, Kolossenzen 3 vers 9 tot en met10 en Romeinen 6 vers 4b?

Jongeren:
1. Er worden op een dag veel vragen aan je gesteld. De vraag: ‘Ben je al bekeerd?’ hoor je wellicht niet zo vaak. Hoe zou dat komen, denk je?
2. Er is een verschil tussen eerste bekering en dagelijkse bekering. Kun je dit verschil uitleggen? Welk woord hoort ook bij dagelijkse bekering?
3. Je kent vast wel de drie woorden die bij bekering horen: inkeer, afkeer en wederkeer. Aan welke geschiedenis doen deze woorden je denken? Ken je nog andere bekeringsgeschiedenissen uit de Bijbel?
4. Lees vraag 89 eens. Wat zou er met de ‘oude mens’ bedoeld worden? Welke naam uit het Oude Testament hoort daar ook bij?
5. Wat is een hartelijk leedwezen? Waar heeft dit woord mee te maken? Lees Romeinen 8 vers 13 eens voor. Hoe kun je de werkingen van het lichaam doden?
6. Lees vraag en antwoord 90 eens voor. Een munt is pas geldig als hij aan twee kanten bedrukt is. Waar heeft dat mee te maken? Is bekering alleen maar naargeestigheid en somberheid?
7. Lees vraag en antwoord 91 nog eens. Aan welke drie voorwaarden moeten goede werken voldoen? Zoek bij elk onderdeel één verwijstekst op.
8. Wanneer zijn goede werken dus geen ‘goede’ werken? Kun je een voorbeeld geven van het feit dat we via onze goede werken met God proberen te onderhandelen? 
9. De bekering heeft een innerlijke kant en een uiterlijke kant. Wat bedoelen we hiermee?
10. ‘Ik dacht dat een christen altijd blij was …!’ Wat zou je tegen iemand  met zo’n idee zeggen?
11. Welke kenmerken hebben goede werken?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 34


Lees zondag 34 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. De wet des Heeren vind je op twee plaatsen in de Bijbel. Waar? Welke van de twee wordt elke zondagmorgen voorgelezen?
2. Waarom wordt de wet elke zondagmorgen voorgelezen? Je ‘hoort’ het wel, maar ‘luister’ je er ook naar? Wat is het verschil tussen horen en luisteren? Waarom wordt de wet wel een spiegel genoemd?
3. De wet wordt op twee stenen tafelen geschreven. Wat betekent dat? Toch belooft de Heere in 2 Korinthe 3 om ze ook nog ergens anders op te schrijven. Waarop?
4. De Heere zegt ook tegen jullie: ‘Ik ben de Heere, uw/jouw God.’ Wanneer heb je dit vaker gehoord? Over welk verbond gaat het hier? 
5. Hoe kun je de tien geboden verdelen? Hoe luidt de samenvatting van de wet in Matthéüs 22 vers 37 tot en met 40?
6. De Heere ziet alle dingen. Denk jij daar altijd aan als je verkeerde dingen doet? Hoe luidt het eerste gebod? Wat betekent ‘voor Mijn aangezicht’?
7. Noem eens een aantal afgoden uit deze tijd. Heb jij ook afgoden? Wat zijn afgoden eigenlijk? Hoe kun je weten wat je afgoden zijn? 
8. Kunnen jullie voorbeelden noemen van toverij, waarzeggerij en bijgeloof? We moeten deze dingen ‘mijden en vlieden’. Wat betekenen deze woorden? 
9. Kunnen jullie de zeven werkwoorden uit het tweede gedeelte van antwoord  94 noemen?
10. Lees/zing de berijmde Psalm 25 vers 6. Waar kom je de eerste regel van vers 6 tegen in antwoord 94?
11. Wij kunnen de wet van de Heere nooit houden. Lees de berijmde Psalm 40 vers 4. Wie heeft de wet wel gehouden voor allen die Hem vrezen?

Jongeren:
1. Hoe luidt de inleiding van de wet des Heeren? Er is sprake van een verbondsrelatie tussen de Heere en Zijn volk. Wat is dat?
2. Wat zijn de drie functies van de wet des Heeren? In welk ‘stuk’ wordt Zondag 34 behandeld?
3. De wet van de Heere laat zien wat de wil van God is. Mensen zeggen wel eens: ‘Nu moet jij de wet zo goed mogelijk proberen te houden.’ Wat zou jouw antwoord hierop zijn?
4. Hoeveel verwijsteksten staan er onder antwoord 94? Wat is eigenlijk de bedoeling van al die verwijsteksten?
5. Het eerste gebod noemen we een ‘wortelgebod’. Waarom? 
6. Als je andere goden dient en hebt, ben je een vijand van je eigen zaligheid. Leg dat eens uit. Van nature zijn we toch liefhebbers van onszelf?
7. God wil alleen de eer hebben. Komt heiligenverering alleen in de Roomse Kerk voor? Als we dichter bij huis blijven, kunnen we best ook wel voorbeelden noemen. Mag je kinderen van God dan niet eren? Wat betekent het dat God een jaloers God op Zijn eer is?
8. Al de zaken die in antwoord 94 verboden worden, zijn de werken der duisternis. Noem enkele concrete voorbeelden. Wat gebiedt God in antwoord  94? Welk woord benadrukt dat God ‘jaloers’ op Zijn eer is?
9. Calvijn noemde ons hart een ‘fabriek van afgoden’. Herken je dat uit je eigen leven?
10. Wij moeten de enige, ware God recht leren kennen. Wat hebben we daar onmisbaar voor nodig? Maar we kennen toch ‘ten dele’?
11. Er is er Eén geweest Die de wet volkomen vervuld heeft. Uit welk kruiswoord komt dit vooral naar voren? Welk vers uit de berijmde Tien Geboden laat zien dat het houden van de wet des Heeren voor Gods kinderen een
liefdesopgave is?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 35


Lees zondag 35 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wij mogen God op geen enkele wijze afbeelden. Toch lezen we in de Bijbel voorbeelden van mensen die dat wel gedaan hebben. Waar en wanneer?
2. Zoek Handelingen 17 vers 29 eens op. Wie spreekt deze woorden? Waar wordt deze preek gehouden?
3. Wij mogen God alleen vereren op de manier waarop de Bijbel dit zegt. Zoek eens enkele verwijsteksten op bij vraag en antwoord 96.
4. Toch kunnen we God wel ‘zien’. Lees Johannes 14 vers 8 en 9. Hoe dan?
5. Mag je dan geen mensen (bijv. door standbeelden) afbeelden of tekeningen maken van dieren? Mag je bijvoorbeeld geen gouden kalf maken?
6. Je hoort wel eens: ‘God is een jaloers op Zijn eer.’ Wat wordt hiermee bedoeld? Jaloezie is toch zonde?
7. Kunnen jullie een psalm noemen waarin het gaat om het liefhebben van Gods geboden?
8. Wanneer kunnen we Heere pas echt dienen?
9. Waarom moet je naar de kerk? Lees Hebreeën 10 vers 25 en 26.
10. Wat zijn ‘boeken der leken’ eigenlijk? (vr. 98)
11. Lees de verwijsteksten bij antwoord 98 nog eens na. Wat wil de Bijbel ons dus leren?

Jongeren:
1. Wat is het verschil tussen het eerste en het tweede gebod?
2. Waarom wil God niet dat er een afbeelding van Hem gemaakt wordt?
3. Toch kunnen wij ook beelden van God hebben of maken. Wat bedoelen we daarmee? Kun je een paar voorbeelden noemen?
4. Welke zijn de erfvloek en de erfbelofte die bij dit gebod horen? Kun je het misschien met een voorbeeld verduidelijken?
5. Welke Goede Boodschap (= Evangelie) klinkt er in het tweede gebod ook door? Elk gebod leidt tot een gebed, als het goed is. Wat bedoelen we hiermee?
6. Je hoort wel eens: ‘Ieder mens kan God toch op zijn eigen manier dienen? Het gaat er maar om of je het met je hart doet.’ Welke reactie zou jij geven op deze uitspraak?
7. Zoek op: Galaten 3 vers 1. Paulus zegt hier: ‘dat hij Christus voor ogen geschilderd heeft’. Wat bedoelt hij daarmee? Strijdt dat niet met het tweede gebod?
8. In de verklaring staat dat God onvoorstelbaar is. Dit kun je op twee manieren uitleggen. Welke?
9. Je kunt God toch ook wel dienen zonder dat je naar de kerk gaat? Wat zegt Psalm 27 vers 4 hierover?
10. Waarom wijst de Catechismus steeds maar weer op het Woord van God (antw. 98) om ons voor afwijken te behoeden?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 36


Lees zondag 36 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Zeg het derde gebod eens op. Wat betekent ‘ijdel gebruik’ van Gods Naam?
2. Kun je een aantal Namen van God opnoemen? Wat is ‘de Verbondsnaam’ van God?
3. Welke drie dingen noemt antwoord 99? Zoek bij elk van de drie eens een verwijstekst op.
4. Wat zijn bastaardvloeken?
5. Word jij wel eens uitgescholden? Doet schelden pijn? Heeft dit gebod met ‘schelden’ te maken?
6. Wat moet je dus doen als je kinderen hoort vloeken? Vind je dat moeilijk? Waarom?
7. Vroeger zag je wel eens een bordje hangen met de tekst: ‘Spreek vrijmoedig over God, maar misbruik nooit Zijn Naam.’ Wat betekent dat?
8. Lees vraag en antwoord 100. Uit welke woorden blijkt dat misbruik van Gods Naam heel erg is?
9. Kun je Gods Naam ook op een andere manier misbruiken, dan door vloeken? Denk ook aan je gebed!
10. De Heere Jezus is ook eens beschuldigd, dat Hij dit gebod overtreden heeft. Wanneer was dat? Was dit waar?
11. Lees antwoord 99 nog eens. Hoe mogen we de Naam van God wel gebruiken? Spreek je wel eens met iemand over de Heere? Wat betekent: ‘de Heere aanroepen’?

Jongeren:
1. Wat is het verschil tussen de lastering en het misbruik van Gods Naam?
2. Wat is de inhoud van de Naam van God? Wat betekent dit voor Zijn volk? (Ex. 3:14,15)
3. In antwoord 99 lezen we drie dingen, die we niet moeten doen en drie zaken waar we wel toe geroepen worden. Welke zijn dat?
4. Waaruit blijkt dat we onze eigen naam liever hebben dan Gods Naam?
5. Bespreek deze stelling: ‘Ik zeg maar niets over zijn gevloek, anders gaat hij nog meer vloeken!’
6. Vloeken is eigenlijk ‘achteruit bidden’. Wat bedoelen we hiermee? Denk vooral aan de meest Godslasterlijke vloek.
7. Welke straf staat op het misbruik van Gods Naam? In welk opzicht zijn we daar in onze huidige samenleving ver van af?
8. Je kunt ook vloeken met je leven. Wat bedoelen we daarmee? Uit welk gedeelte van antwoord 99 blijkt dit?
9. Wat gebiedt God ons? Welke drie werkwoorden worden hier gebruikt? Zoek bij elk onderdeel een verwijstekst.
10. Christus heeft in alles de eer van Zijn Vader bedoeld. Kun je daar voorbeelden van geven?
11. Wat bedoelen we met de uitdrukking: ‘met vrees en eerbied’? Kun je daar een voorbeeld uit de Bijbel van geven?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 37


Lees zondag 37 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Noemen jullie eens een paar voorbeelden, waarbij je een eed moet afleggen?
2. Waarom steken we twee vingers op bij het afleggen van de eed? Welke woorden zeggen we daarbij?
3. Weten jullie een ander woord voor ‘meineed’? In welke geschiedenis uit het Oude Testament komt een meineed voor? Lees ook Jesaja 48 vers 1.
4. Zoek 1 Samuël 24 vers 23 eens op. Wie legt hier een eed af? Waarom?
5. Twee heel belangrijke woorden in Zondag 37 zijn ‘trouw en waarheid’. Spreek je op school en thuis altijd de waarheid? Is liegen slim? Wat vergeten we als we liegen?
6. Welke vijf deugden (eigenschappen) van God worden genoemd in antwoord 102?
7. In de kerk leggen mensen ook wel eden af. Wanneer bijvoorbeeld?
8. Waarom mag je niet bij de heiligen of andere schepselen zweren? (antw. 102) Kun je hiervan voorbeelden geven?
9. Lees Matthéüs 26 vers 63 tot en met 66. Welke geschiedenis lezen we hier?
10. Zoek Psalm 89 vers 15 (ber.) eens op. Wie spreekt hier? Wat wordt hier beloofd?
11. God zweert ook wel eens. Hij kan toch niet liegen? Waarom zweert God dan?

Jongeren:
1. Zondag 37 staat in verband met Zondag 36. Waarom?
2. Waarom gaat de Catechismus zo uitgebreid op het eedzweren in?
3. Waarom heeft het eedzweren alles te maken met de gevolgen van de zondeval?
4. Vormen Deuteronomium 6 vers 13 en Matthéüs 5 vers 33 tot en met 37 een tegenstelling? Kun je dit uitleggen?
5. In plaats van de eed wordt ook wel eens de belofte afgelegd. Waarom is dit tot oneer van God?
6. Welke twee redenen noemt de Catechismus om de eed af te leggen?
7. Waarom gaat het hier om godzalig eedzweren? Op welke deugden van God doe je vooral een beroep?
8. Waarom mogen wij de eed afleggen? Alleen omdat Gods volk in het Oude Testament het ook deed?
9. Noem enkele personen uit het Oude Testament, die de eed aflegden.
10. God zweert ook. Kun je daar enkele voorbeelden van noemen? Wat is het grote verschil tussen ons eedzweren en Gods eedzweren?
11. Waar moet Zondag 37 ons uiteindelijk heen drijven? Welke ‘Ik ben-tekst’ is hier vooral van toepassing?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 38


Lees zondag 38 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Weten jullie hoe het vierde gebod van de wet des Heeren luidt? Wanneer is de zondag onze rustdag geworden?
2. ‘Gedenk de sabbatdag dat gij die heiligt.’ Wat betekent ‘heiligen’ ook al weer?
3. Noemen jullie eens de drie punten van de preek.
4. ‘Prettig weekend’, horen we wel eens zeggen. Welke dagen worden hiermee bedoeld? Waarom klopt dit niet?
5. Vind jij de zondag een fijne dag? Waarom wel? Waarom niet? Welke dingen mag je op de zondag allemaal doen volgens antwoord 38? De zondag vier je. Wat vier je nog meer? Wat betekent ‘vieren’ dus?
6. We kunnen de sabbatswerken verdelen in vijf woorden. Welke zijn dat?
7. Noem eens enkele werken die de Heere Jezus op de sabbat gedaan heeft?
8. Wanneer we in de kerk zitten, zijn we op de werkplaats van de Heilige Geest. Wat bedoelen we daarmee?
9. Welke twee sacramenten kennen jullie? Welk sacrament hebben jullie ontvangen? Wat betekent dat voor jou?
10. Wat bedoelen we met ‘de armen christelijke handreiking te doen’?
11. Kinderen die niet-christelijk opgevoed zijn, vragen aan jou waarom je op zondag naar de kerk gaat. Welk antwoord geef je dan?

Jongeren:
1. De zondag wordt wel het ‘hart van de week’ genoemd. Kunnen jullie dat uitleggen?
2. De eerste dag van de week is als een weg met aan twee kanten een sloot. We moeten oppassen voor verstarring en voor verdamping. Wat bedoelen  we hiermee?
3. Is het sabbatsgebod niet oudtestamentisch? Waar verwijzen de teksten naar? Ken je een groepering in Nederland die de zaterdag als rustdag houdt?
4. Noem enkele bewijzen uit het Nieuwe Testament waaruit blijkt dat christenen voortaan op de eerste dag van de week rustdag vierden.
5. In het antwoord van vraag 103 worden veel activiteiten opgenoemd. Welke? Toch moet je ook iets laten rusten. Wat? Geldt dit alleen voor de zondag?
6. Er staat: ‘… de Heere door Zijn Geest in mij werken laten’. Hoe kunnen we de Geest tegenstaan, bedroeven of zelfs uitblussen?
7. We moeten tot de gemeente Gods naarstig komen. Wat betekent dit voor onze kerkgang? Welke tendens zien we steeds meer in onze samenleving?
8. Welke ambten ken je in de kerk? Er zijn veel vacante gemeenten. Wat heeft ons dit te zeggen? Hebben jongeren hier ook een boodschap aan?
9. Heeft onze zaterdagavondbesteding ook iets te maken met de viering van de zondag?
10. Welke geestelijke betekenis heeft de sabbatsrust?
11. Welke betekenis heeft de zondagviering voor de andere dagen van de week? Op welke manier wordt de zondag in onze samenleving steeds meer uitgehold

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 39


Lees zondag 39 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Hoe luidt het vijfde gebod? Gaat het hier alleen over je vader en moeder?
2. Er wordt niet alleen iets geboden, maar ook iets beloofd. Wat wordt er beloofd?
3. Waarom worden de drie punten ‘Gods hand, ouderhand en kinderhand’ genoemd?
4. Welke drie dingen worden in antwoord 104 van ons gevraagd?
5. Wat wordt er bedoeld met ‘goede leer en straf’ in antwoord 104?
6. Als papa of mama, de meester of juf nu eens niet gelijk hebben, moet je dan direct boos worden? Hoe staat dat in het antwoord?
7. Lees Lukas 2 vers 39 tot en met 52. Was Jezus hier ongehoorzaam? Welk vers heeft vooral met het vijfde gebod te maken?
8. Heeft dit gebod ook te maken met de gemeente waartoe je behoort? Wat zijn de drie ambten in de kerk?
9. Lees Genesis 9 vers 20 tot en met 27. Welke zonen van Noach hadden eerbied voor hun vader? En welke zoon minachtte hem?
10. Moet je alleen luisteren naar een christelijke overheid? Wat zegt Paulus hierover in Romeinen 13 vers 1?
11. Zoek in het Spreukenboek eens enkele teksten op die te maken hebben met onze verhouding tot onze ouders.

Jongeren:
1. Kunnen jullie het verschil uitleggen tussen macht en gezag? Komt alle macht en gezag van God?
2. Waarom wordt het vijfde gebod wel het bemiddelend gebod genoemd?
3. Over welke levensverbanden gaat dit gebod nog meer? Heeft dit iets te maken met ‘kadaverdiscipline’? Kun je ook enkele vormen van misbruik noemen, juist ook in gezinsverband?
4. Respectvol met elkaar omgaan lijkt steeds zeldzamer te worden in onze samenleving. Kun je daarvan voorbeelden geven? Zie je een verband tussen de eerste en de tweede tafel van de wet? Wat hebben die met elkaar te maken?
5. Waarom is de verhouding tussen man en vrouw bepalend voor de opvoeding van de kinderen? In welk opzicht staat de geest van de tijd op gespannen voet met dit gebod?
6. Wereldwijd komen mensen in opstand tegen de overheid of breken er stakingen uit. Valt dit te verdedigen in het licht van het vijfde gebod?
7. Wat zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 36 over de taak van de overheid ten opzichte van de Kerk?
8. Onze koningin regeert ‘bij de gratie Gods’. Wat wil dat zeggen?
9. Welke verantwoordelijkheid geeft het aan gezagsdragers als God hen gebruikt om ons te regeren?
10. De Heere geeft een belofte bij dit gebod. Welke? Wat is de betekenis daarvan? Vergelijk ook Efeze 6 vers 2 en 3

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 40


Lees zondag 40 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Hoe luidt het zesde gebod? Gaat het hier alleen over het doden van iemand?
2. Wat waren de drie punten van de preek?
3. Waarom is het houden van het gebod ‘Gij zult niet doodslaan’ voor ons onmogelijk?
4. Wat is het verschil tussen plagen en pesten? Heeft dat ook met dit gebod te maken? Iemand heeft eens gezegd: ‘Pesten is langzaam iemand doodmaken.’ Wat vind je hiervan?
5. Zet eens in de volgorde die duidelijk maakt dat het van kwaad tot erger gaat: kwetsen, onteren, doden, haten.
6. Wat betekent: ‘alle wraakgierigheid afleggen’? Zoek de verwijsteksten eens op die daarbij staan.
7. Lees antwoord 107 nog eens. Wat verbiedt God ons? Wat gebiedt God ons? Lees Galaten 5 vers 19 tot en met 22.
8. Wat vinden jullie van computerspelletjes waarbij mensen gedood worden? Mag dat wel volgens dit gebod? Maar je doet het toch niet echt?
9. Ook een moordenaar kan bekeerd worden. Noem eens enkele voorbeelden uit de Bijbel.
10. We moeten onze naaste alle vriendelijkheid bewijzen. Hoe kun je dat bijvoorbeeld op school doen? En thuis?
11. Noem eens enkele (lijdens)geschiedenissen, waaruit blijkt dat Jezus Zijn vijanden liefhad.

Jongeren:
1. Wat is de bron van alle doodslag? Kijk nog eens naar de opsomming in antwoord 105. Waarom is er voor deze volgorde gekozen?
2. Waarom is eerbied voor het menselijk leven van zo groot belang? (Gen. 9:6)
3. Kun je enkele voorbeelden geven van het kwetsen van jezelf en je moedwillig in gevaar begeven? Maak jij je daar ook schuldig aan?
4. Het gaat bij dit gebod niet alleen om de buitenkant, maar om de wortel van de zaak. Wat bedoelen we daar eigenlijk mee?
5. Nijd heeft dezelfde werking als vuur. Kun je dit uitleggen? Welke verwijstekst staat erbij?
6. Ook dit gebod is vooral gegeven om ons te beschermen. Uit welke zinsnede blijkt dat vooral?
7. Welke zonden tegen het zesde gebod zijn inmiddels maatschappelijk aanvaard?
8. Wat leert de apostel Petrus ons over de houding die gevraagd wordt tegenover onze vijanden? (1 Petr. 2:19-24).
9. Lees het laatste gedeelte van antwoord 107. Kun je een Bijbels voorbeeld hiervan geven? In welk opzicht heeft Jezus dit gebod vervuld?
10. Wat is uiteindelijk de spits van het zesde wetswoord? Dat we zo goed mogelijk aan dit gebod proberen te voldoen?
11. Wat is de troost van de geschiedenis van de moordenaar aan het kruis? Ligt
er ook een waarschuwing in deze geschiedenis?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 41


Lees zondag 41 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Vertel eens wat er in het zevende gebod staat?
2. Wat is echtbreken? Wat is onkuisheid?
3. Op straat en op het schoolplein hebben kinderen soms vieze praatjes of rare plaatjes. Wat moet je dan doen?
4. Jongens en meisjes zijn door de Heere verschillend gemaakt. Dat is iets heel moois. Thuis of op school hoor je hier vast wel meer over. Wat lees je hierover in je Bijbeltje? (Gen. 2:22-25).
5. Wat verbiedt God allemaal in het zevende gebod? Lees het antwoord in de Heidelbergse Catechismus nog eens na.
6. Hoe worden lichaam en ziel van de christen genoemd in antwoord 109? Hoe moet je daarmee omgaan?
7. Lees Genesis 39. Waarom wilde Jozef niet naar de vrouw van Potifar luisteren? Wat deed hij? Kun je nu nog van de zonde weglopen? Kun je daar een voorbeeld van geven?
8. Wat was het eerste wonder dat Jezus deed? Waar gebeurde dat? Wat kunnen we hiervan leren?
9. Wat was de zonde van de Samaritaanse vrouw in Johannes 4 vers 16 tot en met 18? Wie liet haar die zonde zien? Wat kunnen we hiervan leren? Wat beloofde de Heere aan de Samaritaanse vrouw? Waar moeten wij dus ook om vragen?
10. We hebben allemaal nodig wat in Psalm 51 vers 4 (ber.) staat. Welke kleur wordt er in dit vers genoemd? Hoe kunnen we deze kleur alleen krijgen? In Openbaring 7 vers 14 lees je het antwoord.
11. Zoek de ‘Tien Geboden des Heeren’ eens op achter de Psalmen. Welk vers gaat over het zevende gebod? Welk vers is eigenlijk een gebed dat je altijd moet bidden?

Jongeren:
1. Wat zijn de twee grondpijlers van het huwelijk? Het huwelijk is een instelling van God. Kun je dit vanuit de Bijbel aantonen?
2. Waarom is er in ons huwelijksformulier sprake van de heilige huwelijkse staat?
3. Noem eens drieërlei doel van het huwelijk.
4. Op welke manier komen in deze verseksualiseerde maatschappij de zonden rond het zevende gebod op ons af? Welke gedachten zitten hierachter?
5. Welke zonden van het zevende gebod zijn maatschappelijk geaccepteerd?
6. Wat zegt Matthéüs 5 vers 27 en 28 hierover?
7. Noem enkele Bijbelse geschiedenissen die met het zevende gebod te maken hebben. Hoe ging Jezus met deze mensen om? Wat leert ons dat?
8. Lees Leviticus 18. Zegt dit hoofdstuk ook iets over homoseksualiteit?
9. Men ziet christenen vooral als mensen die overal tegen zijn. Op welke manier kunnen we de dingen positief duiden? We zijn niet alleen tegen euthanasie en abortus, maar vooral voor het leven! Kun je hier ook een
voorbeeld van noemen rond het zevende gebod? Denk bijvoorbeeld aan de
positie van de vrouw onder andere in de reclame.
10. Wat heeft het zevende gebod te maken met ons kleedgedrag? Welke duidelijke normen geeft de Bijbel over onze kleding? Wat betekent dat concreet voor jou?
11. Het aardse huwelijk is een afschaduwing van het hemelse huwelijk. In welk
opzicht? Wat leert ons dat over de verhouding tussen man en vrouw?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij zondag 42


Lees zondag 42 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat waren de punten van de preek?
2. God heeft het achtste gebod ook gegeven om ons te beschermen. Begrijp
je dat?
3. Waarom kunnen we eigenlijk nooit zeggen: ‘Dit is mijn geld en dat zijn
mijn spullen’?
4. Heb je wel eens van een rentmeester gehoord? Waar moest een rentmeester voor zorgen?
5. Gierigheid is ook een soort diefstal. Waarom?
6. Noem eens enkele personen uit de Bijbel die diefstal pleegden.
7. Als je oneerlijk speelt, kun je ook het achtste gebod overtreden. Kun je daar een voorbeeld van noemen?
8. Welke tekst uit Efeze 4 past helemaal bij antwoord 111?
9. Wat was de afgod van Zachéüs? Waaraan kun je zien dat zijn leven helemaal veranderd was, nadat de Heere Jezus hem uit de boom geroepen had?
10. Kennen jullie het spreekwoord: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’? Dit spreekwoord is ontleend aan de Bijbel. Maar er is een verschil. Welk verschil?
11. Was de Heere Jezus rijk of arm? Noem eens enkele voorbeelden. Hoe kan Hij ons dan rijk maken? Wanneer ben je pas echt rijk? 

Jongeren:
1. Lees Galaten 5 vers 19 tot en met 22. Welke van deze vruchten hebben vooral te maken met het achtste gebod?
2. Is ‘rijk zijn’ hetzelfde als materialist zijn? Kun je het verschil uitleggen? 
3. Hoe denk je over deze stelling: ‘Belastingontduiking en zwart werken moeten kunnen. De overheid gebruikt ons belastinggeld voor veel foute dingen’? Betrek in je antwoord ook Lukas 20 vers 25.
4. Lees 1 Korinthe 6. Welke tekst heeft betrekking op het achtste gebod?
5. Zoek 1 Timótheüs 6 vers 9 en 10 eens op. Welke gevaren noemt Paulus op voor hen die rijk willen worden? Beoordeel in het licht van dit Schriftgedeelte het meedoen aan de loterij.
6. Wat is dagdieverij? Kun je daar een voorbeeld van geven?
7. Kun je voorbeelden noemen van ‘slinkse’ manieren waarmee we ons stiekem proberen te verrijken? Waarom strijdt dit met het liefdegebod?
8. Is het een gevolg van de zondeval dat wij mensen moeten werken? Kun je dit uitleggen?
9. Lees antwoord 111. Wat is dus het doel van de arbeid? Kun je naar aanleiding van dit antwoord een relatie leggen tussen je bijbaantje en de collectezak die iedere zondag voorbijkomt?
10. Waarom moet je je best doen op school? Woekeren met geld mag niet, woekeren met je talenten mag wel. Kun je een gelijkenis uit de Bijbel noemen waar dit uitgelegd wordt? Moet je daarvoor veel talenten hebben?
11. Noem enkele voorbeelden uit het Nieuwe Testament waarin onze verhouding tot geld en goed aan de orde komt.

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 43


Lees zondag 43 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Waar gaat het in het negende gebod over? Heb jij wel eens gejokt?
2. Wat zijn de twee punten van de preek?
3. We zeggen wel eens: ‘Iedereen doet het toch wel eens?’ Is het daarom minder erg? Wat zegt antwoord 112 hierover?
4. Spieken is ook stelen. Waarom? Heeft het ook nog iets met liegen te maken?
5. Wat is het tegenovergestelde van ‘leugen’? Wie is volledig de waarheid?
6. In antwoord 112 staan 8 lettertjes tussen haakjes (a t/m h). Zoek bij iedere letter één tekst op.
7. Klets jij wel eens over je vriend of vriendin? Waarom is dat niet eerlijk? Zeg je ook wel eens fijne dingen tegen iemand? Hoe vind jij het als ze iets aardigs tegen je zeggen?
8. Welk vals getuigenis hebben ze over Christus gegeven, toen Hij voor het Sanhedrin stond?
9. Lees Jakobus 3. Welk lichaamsdeeltje kom je hier tegen? Waar wordt het mee vergeleken? Wat kun je ermee veroorzaken? Waarom heb je dit lichaamsdeel gekregen?
10. Welke Bijbelse voorbeelden noemt de verklaring van het onverhoord oordelen?
11. We lezen in antwoord 112 niet alleen verboden, maar ook geboden. Kun je er enkele noemen? Durf jij er wat van te zeggen als ze kwaad over iemand spreken, waar hij zelf niet bij is?

Jongeren:
1. Lees 1 Samuël 17. Welk vers heeft te maken met Zondag 43?
2. Een halve waarheid is een hele leugen. Kun je uit het leven van Abraham en Saraï hiervan een voorbeeld noemen? Welke gevolgen had dit?
3. Voor leugens hebben we soms verzachtende woorden gevonden, bijvoorbeeld smoesjes verzinnen. Kun je voorbeelden noemen? Kan dit door de beugel?
4. Hoe denk je in dit geval over het ‘leugentje om bestwil’? Kun je uit de Bijbel voorbeelden noemen van mensen die er gebruik van maakten?
5. De leugen komt uit het paradijs. Wat bedoelen we hiermee? Wie is de vader der leugenen?
6. Wat is het verschil tussen laster en roddel?
7. Uit welk Bijbelboek wordt bij deze zondag vier maal geciteerd? Zoek de teksten eens op? Kun je voorbeelden noemen uit de hedendaagse praktijk?
8. Wij maken vaak verschil tussen de geboden van de Heere. Zonden tegen het zevende gebod vinden we wellicht erger dan bijvoorbeeld zonden tegen het negende gebod. Met wie worden achterklappers en smaders echter in Romeinen 1 vers 30 in één adem genoemd

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 44


Lees zondag 44 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat is begeren? Is begeren altijd verkeerd? Denk aan Psalm 42 en 63.
2. Zoek Romeinen 7 vers 7 eens op. Wat leert Paulus ons hier over de begeerlijkheid?
3. Ben je wel eens jaloers? Wanneer? Wat heeft dat met dit gebod te maken?
4. Kun je enkele voorbeelden uit de Bijbel noemen van mensen die een verkeerde begeerte hadden?
5. Lees antwoord 113. We moeten een lust hebben tot alle gerechtigheid. Begrijp je dit zinnetje? Wanneer heb je bijvoorbeeld op het schoolplein lust tot ongerechtigheid en wanneer lust tot gerechtigheid?
6. In antwoord 114 gaat het over de allerheiligsten. Wie zijn dat? Wat nemen ze zich voor? Neem jij je ook wel eens iets voor? Wat dan? Lukt dat altijd? Daniël nam zich ook iets voor. Lees Daniël 1 vers 8.
7. Wij moeten zonder zonde leven. Kunnen wij dat? Wie kon dat wel? Wat moeten we daarom doen volgens vraag 115? Lees ook de verwijstekst uit Romeinen 7 vers 24 en 25.
8. In antwoord 115 staat ook dat we ons zonder ophouden moeten benaarstigen. Wat betekent dit woord? Wat moeten we dan ‘doen’? Van Wie moeten we alles verwachten?
9. Wat betekent ‘bid zonder ophouden’? Kan dat eigenlijk wel? Mag je ook bidden als je op straat loopt? Lees Nehemia 2 vers 4. Waar stond Nehemia en wat deed hij daar?
10. In de hemel is geen zonde meer. Daar is de volkomenheid, staat er in antwoord 115. Daar verlangen, als het goed is, Gods kinderen naar. Verlang jij ook wel eens naar de hemel? Waarom?
11. We hebben het de laatste Zondagen steeds over het gebod gehad. Wat staat er boven Zondag 45? Welke letter is anders? Waarom is dit laatste woord zo belangrijk?

Jongeren:
1. In de strijd tegen de zonde stellen we ons nogal eens erg slapjes op. Welke uitdrukkingen in antwoord 113 drukken de eis van het tiende gebod wel bijzonder op ons hart?
2. Waarom heeft het tiende gebod alles te maken met de andere geboden van de wet des Heeren?
3. Gods oordeel gaat ook over de wereld van onze gedachten. Weegt dat ons eigenlijk wel? Wat leerde de Roomse Kerk hierover? Is de praktijk ‘onder ons’ dikwijls veel anders?
4. Er is in antwoord 114 sprake van een klein beginsel van deze gehoorzaamheid. Wat wordt er bedoeld met ‘nieuwe gehoorzaamheid’?
5. De verwijstekst Romeinen 7 vers 14 is in het leven van ds. Kohlbrugge van grote betekenis geweest (zogenaamde kommapreek). Spreekt hier een kind van God of een ongelovige?
6. Wie bedoelt de Catechismus met ‘de allerheiligsten’?
7. Er zijn verschillende misvattingen rond de wetsprediking. Geef over beide je mening.
a. Christus heeft de wet vervuld; wij kunnen de wet toch niet houden en de prediking van de wet is daarom niet nodig.
b. De mens kan de zonde in dit leven volkomen overwinnen.
8. Antwoord 115 noemt drie redenen voor de scherpe wetsprediking. Kun je ze noemen?
9. Welke zaken in de maatschappij spelen in op de kwade begeerten van de mens?
10. Lees Matthéüs 5 vers 6: Hongeren en dorsten naar de gerechtigheid is eigenlijk hongeren en dorsten naar Wie?
11. Iemand heeft eens gezegd: ‘We kunnen zowel links als rechts langs het kruis  voorbijlopen.’ Wat zou met deze uitdrukking bedoeld worden?
12. We hebben de genade van de Heilige Geest nodig om hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd te worden. Wanneer zijn wij dat evenbeeld kwijtgeraakt? Waar bestond dat beeld in? Waar blijkt uit het antwoord van vraag 115 dat de gelovige verlangt om tot Gods eer te leven?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 45


Lees zondag 45 door en zoek de verwijsteksten op.

Kinderen:
1. Lees vraag 116. Wat is het voornaamste stuk (gedeelte) van de dankbaarheid?
2. Aan wie wil de Heere Zijn genade en de Heilige Geest geven? Zoek de verwijsteksten eens op en lees ze eens voor.
3. Op welke tijden bid en dank je? Bid je ook wel eens met ‘eigen woorden’?
4. ‘Bidden zonder ophouden’ staat er in het antwoord van vraag 116. Kan dat eigenlijk wel? Je kunt toch niet altijd bidden?
5. Misschien eet je wel eens bij een vriendje of vriendinnetje dat nooit naar de kerk gaat. Durf je daar ook voor het eten te bidden en te danken?
6. Ken je iemand uit de Bijbel die driemaal per dag bad, terwijl daar de doodstraf op stond?
7. Op Wie wijst ‘de vaste grond’ uit vraag 117? Lees Matthéüs 7 de verzen 24 tot en met 29. Welk huis stond erg vast?
8. God hoort het gebed, maar verhoort het niet altijd zoals wij dat willen. Lees 2 Korinthe 12 de verzen 7 tot en met 9. Wie bidt hier? Wat vraagt hij? Wat krijgt hij?
9. Vraag 118. Wat bedoelen we met ‘geestelijke en lichamelijke nooddruft’? Wat mag je aan de Heere vragen?

Jongeren:
1. Na het gebod behandelt onze Catechismus het gebed. Kunnen jullie uitleggen waarom de opstellers voor deze volgorde gekozen hebben?
2. Je hoort wel eens: ‘Ik bid alleen als ik behoefte heb.’ Wat vind je van deze redenering? Welk antwoord zou je geven?
3. In Psalm 50 vers 14 lees je de Bijbelse grond voor antwoord 116. Lees eens voor?
4. We vinden het gebed in het stuk van de dankbaarheid. Wat heeft ons bidden en danken dan te maken met de eer van God?
5. Probeer met eigen woorden te zeggen aan welke ‘voorwaarden’ een gebed behoort te voldoen dat voor God aangenaam is en door Hem verhoord wordt. 
6. Voor Gods kinderen is het gebed ‘de ademtocht van de ziel’. Wat bedoelen we met deze uitdrukking?
7. Het gaat in het antwoord van vraag 117 om de kennis van drie dingen. Kun je ze noemen? Wat moet onze grondhouding zijn in het gebed tot God?
8. Er staat in de Schrift dat God de zondaars niet hoort. Heeft bidden dan wel zin? Jongeren en ouderen ervaren bidden en danken vaak als een moeilijke aangelegenheid. Kunnen jullie enkele van deze moeilijkheden benoemen?
9. Wie vroegen eens aan Jezus: ‘Leer ons bidden’? Welk gebed leerde Jezus hun?
10. Lees Hebreeën 11 vers 6. Wij bidden misschien wel en vragen veel aan de Heere. Maar verwachten wij eigenlijk wel een antwoord? We lijken vaak op kinderen die op een bel drukken en dan hard weglopen, voordat de deur geopend wordt. Wat lees je in het opgezochte tekstvers?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.

~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 46


Lees zondag 46 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wat waren de vijf gedachten van de preek?
2. Hoe begonnen David in Psalm 86 en Daniël in Daniël 9 hun gebeden?
3. Wat is het verschil tussen de kinderlijke vrees en de slaafse vrees?
4. Wat bedoelen we eigenlijk met de ‘vreze des Heeren’? Moet je bang zijn voor God?
5. Kunnen jullie een ander woord geven voor ‘toevoorzicht’?
6. Wanneer mag je God echt je Vader noemen? Waarom is dat een geweldig wonder?
7. Wat verstaan we onder de ‘binnenkamer’?
8. We bidden ook wel met eigen gekozen woorden. Bid jij ook een persoonlijk gebed? Waar mogen we om bidden en voor danken?
9. In Romeinen 8 vers 15 lees je een woord dat eigenlijk hetzelfde betekent als ‘papa’ . Welk woord wordt bedoeld en Wie leert je dit woord zeggen?
10. Lees Lukas 8 de verzen 11 tot en met 13. Wat vragen de kinderen aan hun vader en wat krijgen ze? Krijg je altijd alles wat je vraagt? Waarom wel of niet? En krijg je alles wat je vraagt aan de Heere? Waarom wel of niet?
11. Waarom staat er in vraag 121 ‘hemelen’?
12. Lees/zing Psalm 141 vers 2 eens. Waar wordt het gebed bij vergeleken? Aan welk altaar denken we bij dit gebed? Naar Wie wees dit altaar heen?
 
Jongeren:
1. Lees Ezechiël 16 vers 21. De Heere zegt: ‘Mijn kinderen hebt u door het vuur doen gaan.’ In welk opzicht zijn wij allemaal kinderen van God?
2. Lees Lukas 11, de eerste vier verzen. Welk gedeelte van het Onze Vader ontbreekt hier?
3. Gebed behoort ook voorbede voor anderen te zijn. Geef daarvan eens een Bijbels voorbeeld?
4. Op welke wijze kunnen we aards van God denken?
5. Uit welke drie delen bestaat het Onze Vader?
6. Wanneer kon de Heere Jezus de Vadernaam niet meer op de lippen nemen?
7. Op welke wijze kunnen we God onteren door de Vadernaam te gebruiken en hoe kunnen we Hem onteren door de Vadernaam niet te gebruiken?
8. Vraag 120: ‘Waarom heeft ons Christus geboden …?’ Het is een liefdesbevel. Welk liefdesbevel noemt de verklaring nog meer?
9. Heeft het wel zin om te bidden als God al weet wat nodig is?
10. De verklaring spreekt van ‘hoge gedachten en hoge verwachting’. Wat wordt er met deze twee uitdrukkingen bedoeld?
11. Als we hoge gedachten van de Heere hebben, komt dat ook openbaar in
onze gebedshouding en ons gebedsleven. Wat bedoelen we hiermee?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 47


Lees zondag 47 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Welk gebod van de wet des Heeren gaat ook over de heilige Naam van God?
2. In vraag 122 wordt een aantal eigenschappen (deugden) van God genoemd. Welke zijn dat? Welke eigenschap kan alleen maar op God betrekking hebben (is onmededeelbaar)?
3. Vraag 122 kun je in drie delen verdelen (kijk maar naar de letters a, b en c). Zoek bij elk gedeelte een verwijstekst en vat die in eigen woorden samen.
4. Aan welk wapen denk je bij ‘schikken en richten’? Wat is het doel van ons leven?
5. Wanneer lasteren we de Naam van de Heere en wanneer heiligen, roemen en prijzen we de Naam van de Heere?
6. Lees eens Johannes 17 vers 3. Wat staat er boven dit hoofdstuk? Wie spreekt hier? Welk woord lijkt erg op het woord ‘heiligen’?
7. In antwoord 122 gaat het over de werken van de Heere. Kunnen jullie een aantal werken van de Heere noemen? In de verklaring staat: het werk in de sch… en de her… Weet jij wat dit laatste woord betekent?
8. Wat is een rover? Wat is een eerrover van God? Hoe kun je aan anderen laten zien dat je de Heere liefhebt?
9. Lees Daniël 6 vers 23. Wie spreekt hier? Tegen wie wordt hier gesproken? Lees het laatste gedeelte van vers 23. Wat was de grote zonde van deze koning? Hoe heette de koning uit het Nieuwe Testament die toegejuicht werd alsof hij een god was? Welke straf ontving hij?
10. Hoeveel keer lees je het woordje ‘looft’ in Psalm 150? Wat is er nodig om dit echt met je hart te kunnen zingen?

Jongeren:
1. Welke twee betekenissen kennen jullie van het woord ‘heiligen’? Kun je enkele voorbeelden noemen van het gebruik van dit woord?
2. Welke diepe betekenis heeft het woord ‘kennen’ in vraag 122?
3. Kunnen wij de Naam van God heiligen buiten het werk van Christus om? Motiveer je antwoord aan de hand van Johannes 17.
4. Waarom zijn wij op deze aarde? Wat is de zin van ons leven? Probeer het antwoord te geven aan de hand van vraag 122.
5. We zingen in Psalm 138 vers 2: ‘Door al Uw deugden aangespoord.’ Geef eens een ander woord voor de deugden van God en hoe kunnen wij deze verdelen?
6. Noem eens een bewijs van Gods almacht in de schepping en ook in de herschepping?
7. Als we het Onze Vader bidden, bidden we eigenlijk tegen onszelf in. Kun je dit uitleggen?
8. Wat veronderstellen de woorden ‘geef ons’?
9. Welk tweeërlei doel heeft het Onze Vader?
10. Is het heiligen, loven en prijzen van Gods Naam afhankelijk van uiterlijke omstandigheden? Kun je een Bijbels voorbeeld noemen waaruit dit blijkt? Misschien kun je ook een voorbeeld noemen uit je dagelijkse omgeving!
11. Zoek enkele psalmen op waarin de lof van de Heere centraal staat.

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 48


Lees zondag 48 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Wie is koning(in) van Nederland? Wie is Koning in het Koninkrijk der hemelen?
2. Wat waren de vijf punten van de preek?
3. Lees Matthéüs 6 vers 33. Waar moet je het Koninkrijk van God zoeken? En hoe moet je dat zoeken?
4. Waarom wordt de Kerk van de Heere een strijdende Kerk genoemd? Welk belangrijk wapen hebben ze van de Heere gekregen? Weet je misschien ook hoe de Kerk in de hemel genoemd wordt?
5. Als je ruzie hebt, wil je niet graag ‘onder liggen’. Je wilt niet de minste of de zwakste zijn. In het Koninkrijk van God is dit anders. Hoe gaat het dan in het Koninkrijk der hemelen? (zie vr. 123)
6. Waarom is zending en evangelisatie nodig? Welk regeltje uit antwoord 123 spreekt daarover? Welke psalmen staan er als verwijstekst bij? Zoek deze eens op en lees ze eens voor.
7. Durf jij er wat van te zeggen als kinderen vloeken of spotten? Vind je dat moeilijk? Waarom?
8. Noem eens een paar voorbeelden van ‘boze raadslagen (aanslagen)’ tegen het heilig Woord van God? Waarom probeert ‘de vijand’ je altijd van het lezen uit je Bijbeltje af te trekken?
9. De duivel is wel machtig. Hoe groot is de macht van de Heere? De duivel wordt wel genoemd ‘een hond aan de ketting’. Weet jij wat daarmee bedoeld wordt?
10. Verlang jij ernaar dat de Heere Jezus terugkomt? Waarom?
 
Jongeren:
1. Hoe word je onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden en hoe van    het Koninkrijk der hemelen?
2. Kunnen jullie het verband aantonen tussen de eerste en de tweede bede van het Onze Vader? Waaruit blijkt dit bij de bekering van Saulus van Tarsen?
3. Waarom moet er gebeden worden ‘regeer ons’? God regeert deze wereld toch? Welk vers uit Psalm 143 past hier goed bij?
4. Het is nodig dat de Heere ons regeert door Woord en Geest. Waarom zijn deze twee niet los te maken van elkaar?
5. Waarom wordt er gebeden: ‘… dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen’? Wat zegt dit van ons leven?
6. Deze wereld wordt wel eens ‘bezet gebied’ genoemd. Wat bedoelen we met deze uitdrukking? Hoe blijkt dit uit Matthéüs 4 vers 1 tot en met 11?
7. In het boek De Christenreis van John Bunyan lees je over de strijd van Christen tegen Apollyon, de draak. Waarmee behaalde Christen uiteindelijk de overwinning?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 49


Lees zondag 49 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Zeggen jullie het Onze Vader eens op? Welke bede wordt in deze Zondag besproken?
2. Wat zijn de punten van de preek?
3. Wat betekent: ‘Je eigen wil verzaken’? Waarom is dat zo moeilijk?
4. Matthéüs 16 is gelezen. Welk vers heeft te maken met de bede: ‘Uw wil geschiede’?
5. Wat betekent ‘het kruis achter de Heere Jezus dragen’? Moet je dat letterlijk nemen?
6. Hoe kunnen we de wil van God weten? Abraham had nog geen ‘Bijbel’. Hoe wist hij dan de wil van God?
7. Lees Job 1 de verzen 21 en 22. Wat heeft Job veel meegemaakt! 
    Was Job hier boos op God?
8. Ben jij altijd zonder tegenspreken gehoorzaam? Wanneer wel? Wanneer niet?
    Wat was de tweede vraag van Paulus op weg naar Damascus?
9. Lees Mattheüs 26 vers 39. Op welke plaats zijn we hier? Wie bidt hier? 
    En wat wordt hier gevraagd?
10. Wat is een goddelijk beroep? Wanneer is een beroep geen goddelijk beroep?
11. ‘Je moet je best doen op school’, wordt wel eens tegen je gezegd. Dat vraagt de Heere ook van ons. Wie zie je als je voorbeelden? Wat is het werk dat zij doen? 
Ken je enkele namen?

Jongeren:
1. Tegenwoordig hoor je vaak dat godsdienst een privéaangelegenheid is. Godsdienst is prima, als je het maar achter de voordeur houdt. Wat zegt het antwoord van vraag 124 hierover?
2. Ook ditmaal lezen we in het antwoord van deze Zondag: ‘Geef’! Wat geeft dit woord ons te kennen?
3. Hoe wordt de wil van God onderscheiden? Heeft God dan twee ‘willen’?
4. Noem enkele voorbeelden uit de Bijbel van mensen die ‘eenswillens’ met God gemaakt waren.
5. Lees Romeinen 12 vers 2. Wat leert deze tekst ons?
6. Er wordt wel eens gezegd: ‘Wij willen wel zalig worden, maar dan op onze eigen manier.’ Wat bedoelen we hiermee? Wat zegt Matthéüs 16 vers 25 hierover?
7. De bede: ‘Uw wil geschiede’ heeft niet alleen met ons geestelijk leven te maken. Hoe blijkt dat uit antwoord 124?
8. Een omschrijving voor ‘geloven’ is onder andere: ‘gehoorzamen aan de wil van God’. Hoe blijkt dit in het leven van Abraham?
9. Wat zijn ‘zondagschristenen’? Is dit een positieve of een negatieve uitdrukking?
10. De engelen worden tot voorbeeld gesteld. Wat is kenmerkend voor hun werk?
11. Deze maatschappij met zijn ongekende technische mogelijkheden geeft de indruk dat alles maakbaar is. Waarom staat dit op gespannen voet met de derde bede (en ook de andere beden) van het Onze Vader?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 50


Lees zondag 50 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Daniël en zijn vrienden zagen er goed en gezond uit. Toch aten ze niet van de tafel van de koning. Waarom aten ze niet van de tafel van koning Nebukadnezar? Hoe kwam het dat ze er toch goed uitzagen?
2. Zorgt de Heere voor ons brood? Dat kun je toch ‘gewoon’ in de winkel kopen?
3. Onder antwoord 125 staan bij elke letter één of meer verwijsteksten. Zoek bij elke letter eens een tekst op en vat die in eigen woorden samen.
4. Welk Bijbelboek wordt het meest genoemd bij de verwijsteksten?
5. Wat betekent het woord ‘nooddruft’? Gaat het hier alleen over brood?
6. Weten jullie het verschil tussen zorgeloos zijn en onbezorgd zijn?
7. Waarom zorgt de Heere zo goed voor ons? Het antwoord lees je in Romeinen 2 vers 4.
8. Wie heeft ‘ons dagelijks brood’ voor ons betaald? Waar is dit gebeurd?
9. Welk vers van Psalm 127 heeft alles met deze Zondag te maken?
10. Mag je alles aan de Heere vragen?
11. Ezau zei eens: ‘Ik heb veel!’ Jakob zei: ‘Ik heb alles!’ Wat was het grote verschil?

Jongeren:
1. Sommigen zeggen: ‘Bidden en danken is niet nodig. Ik werk toch voor mijn eten?’ Welk antwoord geeft Zondag 50 hierop? Waarom is bidden eigenlijk een belijdenis?
2. Waarom vragen we om ons dagelijks brood? En waarom gebruiken we het woord ‘heden’? Dat is toch niet van deze tijd? Mag je eigenlijk wel voorraden aanleggen? Welke geschiedenis uit het Oude Testament leert ons echt dat wij bij de dag moeten leven?
3. Bij de verschillende beden van het Onze Vader past de bedelaarsgestalte. Wat bedoelen we daarmee? Welk woord geeft dit steeds te kennen? Willen wij dit eigenlijk wel?
4. Waarom mogen we deze bede niet ‘vergeestelijken’? Geef hiervoor twee redenen.
5. De Heere Jezus was ook echt mens. Waaruit bleek dat? Kunnen jullie enkele voorbeelden noemen waaruit bleek dat Jezus honger en dorst had?
6. Jullie kennen misschien de uitdrukking: ‘Zonder Gods zegen zal niets gedijen.’ Hoe verwoordt 1 Korinthe 15 vers 58 dat op een positieve manier?
7. Het feit dat we moeten werken, is dat een gevolg van de zondeval?
8. Lees de laatste regel van antwoord 125. Mogen wij nooit mensen vertrouwen? Zie ook Jeremia 17 de verzen 5 en 7.
9. Is rijkdom en voorspoed altijd een teken van Gods gunst?
10. Wij moeten afgetrokken worden van alle schepselen om ons vertrouwen alleen op de Heere te stellen. Kun je voorbeelden noemen, misschien wel uit je eigen leven, waarbij we ons vertrouwen op schepselen stellen? Noem ook enkele voorbeelden uit de Bijbel. Waarom kunnen we dit ook wel een ‘paradijszonde’ noemen?

Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Vragen bij Zondag 51


Lees zondag 51 door en zoek de verwijsteksten op.
Kinderen:
1. Moest jij wel eens ‘sorry’ tegen iemand zeggen? Waarom? Wat vraag je  dan eigenlijk? Vond je dit moeilijk?
2. Noem de drie punten van de preek eens.
3. Welk verschil is er tussen de vierde en de vijfde bede?
4. Hoe vaak komt het woordje ‘ons’ in antwoord 126 voor? Waarom denk je?
5. Waarom worden wij arme zondaren genoemd?
6. Wat is het doel van ons leven? Beltsazar en Herodes werden gestraft. Wat hadden ze niet gedaan?
7. Zoek de verwijsteksten eens op in je Bijbeltje en lees ze eens voor. Probeer met je eigen woorden te zeggen wat er staat.
8. In antwoord 126 gaat het over boosheid. Bedoelen ze hier dat je boos/kwaad op iemand bent? Welk ander woord noemt de verklaring voor boosheid?
9. Je hebt vast wel eens van het vers ‘Vaste Rots van mijn behoud’ gehoord. Wie wordt hiermee bedoeld? Waarom wordt Hij zo genoemd?
10. Vergeeft God je zonden, omdat je heel ernstig bidt om vergeving?
11. Lees Matthéüs 18 vers 23 tot en met 35. Waarom heet deze gelijkenis de gelijkenis van ‘de onbarmhartige dienstknecht’? Wat wil de Heere Jezus ons in deze gelijkenis leren?
 
Jongeren:
1. Vragen wij in vraag 126 aan God om schuldvergiffenis, omdat wij onze schuldenaren ook vergeven? Met andere woorden: Is onze houding tot de naaste de grond, waarop wij vergeving mogen vragen?
2. Welk verschil noemt de verklaring tussen scheppen en vergeven? Is er ook een overeenkomst?
3. Welke drie woorden kennen we voor ‘kwaad bedrijven’?
4. Er is in antwoord 126 sprake van misdaden. Is dat niet wat overdreven? Er zijn toch mensen die veel ergere dingen gedaan hebben dan wij? Betrek Psalm 51 in je antwoord. Tegen Wie heeft David uiteindelijk gezondigd?
5. Is schuld hetzelfde als zonde? Op welke grond kan vergeving van zonden plaatsvinden? Wat betekent dus: ‘geen verzoening zonder voldoening’?
6. Op Golgotha zien we zowel de toorn van God als de liefde van God. Kun je dit uitleggen?
7. Mensen zeggen wel eens: ‘Ik zal je alles vergeven, maar ik zal het nooit vergeten!’ Wat vind je van deze uitdrukking? Handelt God ook zo? Kun je dit uit de Bijbel aantonen?
8. Waarom worden de Psalmen 143 en 51 aangehaald bij de verwijsteksten?
9. Heb je wel eens ‘in de schuld’ bij iemand gestaan? Hoe voelt dat? Geloven wij dit eigenlijk wel? Op welke manier proberen wij deze schuld af te lossen? Kunnen wij dat? Wat is nodig?
 
Bron: Nodig te weten, 52 preken over de drie stukken, ds. G.J. van Aalst, ISBN 9789033608162.
~~~~~~~~

Zuiderkerk
  • Zuiderkerk

    Schoutstraat 1
    4336 HN Middelburg
  • Kerkdiensten

    Zondagmorgen: 9.30u - 11.00u
    Zondagmiddag: 16.00u - 17.30u